De sprinkhanendood

De wesp heeft zich vastgebeten in de rug van de sprinkhaan als een luipaard in een waterbuffel. Ze vallen samen als een sissende en spartelende klont van de houten bank waarop de aanval zich voltrekt. De groteske poten van de sprinkhaan graaien alle kanten op maar vinden geen houvast. Rechts onder de kop heeft de wesp toegeslagen, daar graven zijn knarsende kaken een gat in het stevige lichaam. De bewegingen van de sprinkhaan worden snel zwakker. De steeds maar doorzoemende wesp verplaatst zich en begint een gewricht door te knagen tot ten slotte de rechterachterpoot loslaat. Alle kracht is verloren.

Er komt een lichtgroen vocht te voorschijn wat ook afdruipt van het brok vlees dat de wesp tussen zijn kaken houdt. Hij stijgt ermee op, toert nog drie rondjes boven de plaats van de aanslag en vliegt over het lage muurtje het dal in. Een voorpoot van de sprinkhaan trilt nog na, in zijn rug zit een gat met een doorsnede van 3/4 centimeter. Na vijf minuten is de wesp terug, hij zet zich op het lijk en gaat door met knagen, vlak naast de eerder gemaakte wond. Met een stuk vlees van dezelfde afmeting als daarvoor verdwijnt hij zonder plichtplegingen weer in dezelfde zuidelijke richting.

Na een derde stuk van het lichaam weggebracht te hebben begint hij de kop van het lichaam los te bijten. Het geknaag en geknip is tot op enkele meters afstand hoorbaar.

Tegelijkertijd laat hij een wellustig gebrom horen. Met bewegingen die aan een stomme film doen denken drentelt een schichtige blauwe vlieg om de scène heen en ook een paar mieren die lucht hebben gekregen van de sluipmoord, komen dichterbij. De kop van de sprinkhaan krijgt dezelfde onzichtbare bestemming als de rest en daarna begint de moordenaar aan het achterlijf. Met ijzeren regelmaat blijft de wesp terugkomen, elke keer als hij weer verschijnt lijkt hij dreigender en groter geworden. In de veronderstelling met een begerige indringer van doen te hebben koerst hij even een langswaaiend, dor blad achterna en laat zich dan weer als een steen op de resten van zijn prooi vallen. De domme vlieg wordt met een oorvijg verwijderd en geërgerd trapt hij naar de om zijn poten rondzwalkende mieren. Een daarvan heeft een losgelaten voelspriet weten te bemachtigen die hij als een dreumes die een polsstok hanteert, in de richting van het nest probeert te zeulen.

Ook de andere achterpoot van de sprinkhaan heeft nu losgelaten. De ondefinieerbare laatste resten beginnen al uit te drogen onder de zon en de wesp moet zijn kaken gebruiken om ze los te knagen van de leisteen waaraan ze vastgekleefd zitten.

Ik loop het huis in, pak een boek en lees.

Als ik weer buiten kom, is de treurige plek op het terras leeg, op de twee spillepoten van de onfortuinlijke, mooie sprinkhaan na. Iets verderop vertellen een paar mieren elkaar steeds maar weer hoe ze de onnoemelijk lange voelspriet hun nauwe holletje in moeten krijgen.