DAVID VAN DE KOP 1937- 1994; Stug en speels

Op 57-jarige leeftijd is gisteren in zijn woonplaats Dreischor in Zeeland de beeldhouwer en schilder David van de Kop plotseling overleden. Hij kreeg een hartstilstand.

Van de Kop (Den Haag, 1937), wiens werk al ruim 25 jaar in galeries en op museumtentoonstellingen te zien is, liet zich bij zijn beelden inspireren door de natuur, het landschap, licht en lucht, water en de mens daarin. “Ik maak environments in de open lucht”, zoals hij zelf zijn werk eens omschreef, en om de natuur zo dicht mogelijk te naderen maakte hij geen foto's maar tekeningen, soms eenvoudige werkstudies met een opvallende diepte- en ruimtewerking. Zijn aquarellen zijn eerder een neerslag van een emotioneel moment.

De sculpturen van David van de Kop, die jarenlang lesgaf aan de Academie in Den Bosch, hebben vooral veel ruimte nodig, zo zeer lijken ze doordrongen van het Zeeuwse land waarop ze geënt zijn. Dankzij die ruimte krijgen ze een horizon, die vooral op zijn tekeningen bepalend is. Als ongrijpbare organische, meer of minder landschappelijke vormen laten ze zich lastig omschrijven. Een voorbeeld is het keramische beeld dat in het centrum van Rotterdam staat, op de Westblaak. Het doet denken aan een dijkfragment, waar een kleed overheen is gedrapeerd. “Het landschap zelf blijft belangrijker dan de ingreep. De vormgeving van een object is dan ook steeds afhankelijk van de omgeving waarin het zich bevindt. (...) Ik ben niet vormvast in mijn werk, omdat de situatie die vorm bepaalt”, zei Van de Kop jaren geleden. Het Rotterdamse beeld in gele en blauwe glazuur - naar zand en zee - illustreert deze uitspraken bij uitstek. Het staat daar onwrikbaar als een wal met welvingen temidden van ongenaakbare kantoorkolossen, een wrevelig contrast met de omringende geometrie; en in strijd met zichzelf, want als een wal, een lineaire vorm, oogt het beeld stroperig en zacht.

Aanvankelijk maakte Van de Kop ijzeren, kantige, constructivistische beelden; hekken, doorgangen, versperringen en trappen, die hij kaderbepalingen noemde. Een ijzeren deur kon als een menhir over het landschap heersen. Maar de materie was hem te hard, hij ging stijve en slappe materialen combineren of liet het ijzer doorbuigen. Vanaf 1979 - vijf reizen naar India lagen achter hem - komen de vloeiende vormen van klei in combinatie met hout te voorschijn. Klei als de meest basale, aardse materie, waaruit ze gemodelleerd moesten worden. Door broosheid van de hard geworden klei, de tegenstelling hard-zacht, ontstond een speelse en tegelijkertijd stugge spanning die veel beelden kenmerkt.

De toepassing van glazuur of andersoortige kleurlagen in vaak lichte, vrolijke tinten geeft de zwaarte van vorm en materie ogenschijnlijk minder gewicht. Maar de kleuren verhevigen ook contrast met de omgeving, ze leggen verbindingen tussen afzonderlijke elementen, waaruit een sculptuur van Van de Kop kan bestaan, en ze verheffen het landschappelijke nadrukkelijk tot het gekunstelde.

De laatste jaren komen er meer mensfiguren in Van de Kops tekeningen en beelden voor met mythologische titels als Eros of Danaë. Klei had plaats gemaakt voor ruw bewerkt hout; barokke stapelingen soms van massieve brokstukken, beschilderd ook, en net zo standvastig als de klei-sculpturen.

'Leegte is 'toch' de oorsprong van alle vormen', schreef Van de Kop in 1990 in zijn dagboek. Hij heeft nieuwe leegten op een heldere, monumentale, maar ook mythische wijze vormgegeven.