'Conflict bij Theaterwetenschap explodeerde'

AMSTERDAM, 15 SEPT. 'Excentriek' is het woord dat N. Verhagen, directeur van de Faculteit der Letteren van de Universiteit van Amsterdam liever niet in de mond wil nemen als het om de leden van de vakgroep Theaterwetenschap gaat. “Maar”, zegt hij in zijn werkkamer, “het is in zekere zin, gezien de nauwe banden die men met de kunst heeft, wel een apart soort volk. Een gebrek aan leidinggevende capaciteiten en het onvermogen om samen te werken komt in meer vakgroepen voor, maar niet met deze virulentie.”

Daarom heeft het faculteitsbestuur besloten de historicus prof. dr. Hans Blom als manager en troubleshooter aan te stellen. Hij zal de huidige vakgroepsvoorzitter prof.dr. Hertha Schmidt met onmiddellijke ingang vervangen. Als decaan van de Letterenfaculteit was Blom in 1991 medeverantwoordelijk voor de benoeming van Schmidt tot hoogleraar.

Op 22 en 23 juni jongstleden bracht een visitatiecommissie van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten een bezoek aan de vakgroep Theaterwetenschap. Verhagen bevestigt dat de voorzitter van deze commissie, prof. S.J. Doorman, het faculteitsbestuur bij het uitbrengen van een voorlopig rapport met klem aanraadde snel orde op zaken te stellen. Belangrijkste punten van kritiek waren het genoemde gebrek aan leiding en te grote persoonlijke tegenstellingen binnen de vakgroep. Verhagen: “Dat de vakgroep Theaterwetenschap een black box is waaruit geen voorstellen meer komen die het mogelijk maken een behoorlijk onderzoeksprogramma op te stellen hadden wij al ondervonden. Er zijn mederwerkers binnen de vakgroep die zonder tussenkomst van het faculteitsbestuur niet meer met elkaar communiceren waardoor een onwerkbare situatie is ontstaan. De bevindingen van de visitatiecommissie zijn niet dwingend, maar hebben ons als het ware een laatste duw gegeven.”

Vooral tussen prof. Schmidt en universitair hoofddocent Rob Erenstein is een conflictsituatie ontstaan. Beiden verschillen van inzicht over inhoudelijke kwesties en visie op het management van de vakgroep Theaterwetenschap. Schmidt hecht veel belang aan de theoretische kant van de studie, en vindt dat management haar van het echte werk, onderzoek, afhoudt. Erenstein hecht meer waarde aan de praktijk, de theatervoorstelling, en acht krachtig management voor de vakgroep onontbeerlijk. Erenstein was tot het aantreden van Schmidt zes jaar lang vakgroepsvoorzitter en was in '91 ook kandidaat voor het hoogleraarschap. Schmidt nam een groot deel van zijn bestuurlijke taken over.

Schmidt, die alleen commentaar wil geven in een persoonlijk onderhoud “en niet telefonisch, het hoort nu eenmaal bij mijn vak dat ik uw mimiek moet zien”, zegt op haar instituut dat er al voor haar aantreden problemen in de vakgroep waren en dat men hoopte met haar benoeming iemand in huis te halen die als vredestichtster zou kunnen functioneren. “Dat is dus mislukt, het werd juist erger. Er ontstonden twee kampen en dat leidde een half jaar na mijn aanstelling tot een explosie”, aldus Schmidt. “Ik heb toen Herman Pleij, die inmiddels decaan was, om hulp gevraagd.” Ook Erenstein schakelde de faculteit in, aldus Verhagen. Er kwamen individuele en gezamenlijke gesprekken met het faculteitsbestuur die volgens Schmidt wel en volgens Erenstein niet erg vruchtbaar waren.

“Mevrouw Schmidt had toen haar werd verzocht hoogleraar te worden nauwelijks bestuurlijke ervaring”, deelt Erenstein telefonisch mee. “Zij is om haar intellectuele capaciteiten, die zij ontegenzeggelijk bezit, gevraagd. Er is haar voor haar benoeming door de faculteit, die overigens door mijn collega's werd afgewezen, uitdrukkelijk meegedeeld dat het besturen van de vakgroep ook tot haar werkzaamheden zou behoren. Dat leidt inderdaad af van het wetenschap bedrijven, maar is nu eenmaal inherent aan de taak van een hoogleraar. Zeker als het om een nieuw vak gaat als de Theaterwetenschap. Je moet krachtdadig naar buiten treden, als bindende factor de versnippering tegengaan. Dan kan er iets moois tot stand komen.”

Schmidt: “Als Duitse is de managementscultuur aan de Nederlandse universiteiten mij volkomen vreemd. In Duitsland is de universiteit autonoom. Invloed van buitenaf wordt niet geaccepteerd. Hier moet continu worden vergaderd. In Duitsland loopt het vanzelf wel. Hier zijn talloze commissies werkzaam die door iemand beheerd moeten worden: de manager. Ik vind dat overbodig. In Duitsland hebben we dat niet, daar vindt men binnen de universiteit het begrip 'manager' volslagen belachelijk. Ik ben voorstander van het Gelehrtentum: professoren moeten studenten leren denken. Dat levert vrijheid op. En dat kan alleen binnen de universiteit, waar de studenten inzicht kunnen krijgen in de ontwikkeling van wetenschappelijk onderzoek. Maar dan moet er wel tijd en aandacht voor onderzoek zijn. ,

Ook wat betreft de nadruk die op de theorie dan wel de praktijk van het theater wordt gelegd bestaat er verdeeldheid tussen Schmidt en Erenstein. Erenstein: “Het object van de theaterwetenschap is de voorstelling, daar hou ik me mee bezig. Schmidt is aangesteld om de theoretische component van de theaterwetenschap te ontwikkelen. Ik haat theorie, al is het wel belangrijk, omdat de theaterwetenschap zich de afgelopen jaren onvoldoende sterk heeft gemaakt om zich autonoom te onderscheiden van andere vakdisciplines. Maar het object van de theaterwetenschap is de praktijk van de voorstelling, een eenmalig iets. Wij onderzoeken dingen die niet bestaan.”

Schmidt pleit voor een theorievorming waarin ook andere kunstuitingen betrokken worden: “Het theater is één van de belangrijkste kunstvormen van het moment. Alle esthetische ontwikkelingen, uit zowel beeldende kunst als muziek en literatuur zijn erin op te sporen.”

Volgens faculteitsdirecteur Verhagen is dit verschil in opvatting in principe geen onwerkbare tegenstelling. “Er moet in het onderwijsprogramma juist een evenwichtige synthese tot stand komen tussen de theorievorming en de uitvoerende kant van het vak, de voorstelling. Een feit is dat de vakgroep de laatste tijd niet uitblonk in de kwaliteit van de wetenschappelijke output. Voor het onderwijsprogramma is dat een punt van zorg.”

Schmidt en Erenstein ontkennen dat het onderwijs onder de situatie lijdt. Eerenstein: “Schmidt en alle anderen zijn goede docenten en de studenten komen niets tekort.” Schmidt: “De meeste studenten hier zijn zeer getalenteerd en werklustig, en bepaald niet 'gemakzuchtig' zoals het universiteitsblad Folia schreef.”

Ook kunnen beiden zich vinden in de tijdelijke aanstelling van prof. dr. Blom. Schmidt was al van plan haar functie neer te leggen, omdat zij binnen enkele maanden een aanstelling als hoogleraar aan de universiteit van Potsdam verwacht. Verhagen:“ Schmidt heeft mij nog niet definitief meegedeeld dat ze weg gaat. Tot die tijd is het niet aan de orde wie uiteindelijk haar opvolger wordt.” Erenstein heeft momenteel verlof om aan het boek Een theatergeschiedenis der Nederlanden te werken.“Het wordt een schitterend boek, op dezelfde wijze opgezet als Nederlandse literatuur, een geschiedenis, met 120 artikelen van ruim 80 auteurs. Ik beschik als hoofdredacteur over een budget van 4,5 ton. Kijk, dàt bedoel ik met: een bindende factor waardoor iets tot stand kan komen. Dat lukt mij dus wel.”