Cellen (2)

Als argeloos staatsburger, die wel eens, ongestraft, een gevangenis bezocht, bied ik u een reactie aan op 'Achter de Tralies' (W&O 8 sept.) in 9 'feiten', die zodanig zijn genuanceerd en afgezwakt dat er slechts beweringen overblijven.

Uit de overvloed enkele voorbeelden.

'Feit 1: Toename in de gevangenisbevolking wordt niet bepaald door ontwikkelingen in de criminaliteit, maar....'. Dus geen relatie? Maar 'Voor een groot deel... veroorzaakt door een verminderde tolerantie voor criminaliteit.' Dus toch?

'Feit 2: Het afschrikkende effect van meer of langere gevangenisstraffen is niet overtuigend bewezen.' Gebrek aan bewijs levert onzekerheid, geen feit. De straf - zo wordt gesteld - schrikt blijkbaar onvoldoende af.

Wat verderop de kip en het ei betreft: voordat de gevangenis werd uitgevonden zal er toch wel criminaliteit zijn geweest? De genoemde speciale preventie zou toch wel werken als de uitvoering van de straf bij de dader zou leiden tot de overtuiging 'eens maar nooit weer'.

'Feit 4: Door meer wetsovertreders langer en vaker op te sluiten wordt criminaltieit nauwelijks merkbaar verlaagd;...' Vervolgens: 'men kan ook redeneren dat het er om gaat dat mensen zolang zij opgesloten zitten tenminste de straten niet onveilig kunnen maken, ze zijn uit de roulatie (Een vergelijkbaar argument wordt gemaakt door voorstanders van de doodstraf). Aan de logica van deze redenering valt niet te tornen.'

Inderdaad, als alle criminelen blijvend opgesloten of dood zijn is de kans op recidive nul. Maar de schrijver geeft het niet op en draait de zaak om met de vraag 'Maar zouden we echt aanzienlijk meer misdadig gedrag zien als we wetsovertreders korter (of helemaal niet) zouden opsluiten?' Het antwoord moet wel zijn 'ja, natuurlijk', maar zijn we nu nog wetenschappelijk bezig?

'Feit 6: Het uitzitten van een gevangenisstraf is voor de meeste gedetineerden geen pretje...'. Voor een minderheid dan wel? en is dat de bedoeling? Daar gaat het juist om; de straf is blijkbaar niet erg genoeg. Ik voeg hier graag als feit 6A aan toe: 'jonge mannen, die er geen enkel bezwaar in zien bij tasjesroof, overval of inbraakje medemensen het ziekenhuis in te werken, hebben maling aan een tijdelijk verblijf in een eigen verwarmde kamer met goede voeding, sport en ontspanning, ontmoeten van oude en nieuwe bekenden, enz. Voor deze groep zou de straf zo onaangenaam moeten zijn dat zij werkelijk leidt tot de overtuiging 'eens maar nooit weer'.

'Feit 7: Langere en strengere gevangenisstraffen richten zich vrijwel altijd tegen de maatschappelijk zwakkeren en etnische minderheden'. Een schandelijke verdachtmaking van degenen die ons tegen de misdaad trachten te beschermen, alras lafhartig afgezwakt tot 'de waarheid ligt waarschijnlijk in het midden'.

'Feit 8: Gevestigde belangen in het inrichtingswezen zullen het steeds moeilijker maken om met celuitbreiding te stoppen'.

Een minderwaardige verdachtmaking, die aansluit bij het vorige. De schrijver, die 'de dagelijkse kost verdient' met dergelijke insinuaties zou zich enige beperkingen kunnen opleggen. De betoogtrant is welbekend: de specialist zorgt voor veel patiënten, de politie zorgt voor veel criminelen, de militairen veroorzaken oorlog en de brandweer zorgt voor veel branden. De wetenschappelijke onderbouwing is echter ver te zoeken.

Wat de slotzin van het stuk betreft: ik ben telkens weer 'sociaal bewogen' als ik lees hoe een oude vrouw 'tegen de Nederlandse traditie van humaniteit' over de grond is gesleurd en met een heupfractuur of andere schade het verder maar moet uitzoeken.