Brussel streeft naar 'moderner' industriebeleid

BRUSSEL, 15 SEPT. De Europese Commissie wil het Europese industriebeleid in een modern jasje steken. Dat betekent meer aandacht voor investeringen in 'menselijk kapitaal', stimuleren van industriële samenwerking, versterking van het concurrentievermogen en terugdringing van staatssteun en ongewenste overheidsbemoeienis op het gebied van regelgeving.

EU-commissaris Bangemann schrijft dat in een discussiestuk over “een industrieel concurrentiebeleid voor de Europese Unie. Bij de presentatie ervan, gisteren in Brussel, zei Bangemann dat de Europese industrie het nog helemaal niet zo slecht doet. Sinds 1990 heeft de industrie haar internationale concurrentiepositie in veel sectoren “aanmerkelijk” kunnen verbeteren. Hij noemde met name de auto-industrie en de scheepsbouw.

In lijn van het vorig jaar aangenomen Europese Witboek over economische groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid, stelt Bangemann dat de komende jaren steeds meer aandacht moet worden besteed aan “immateriële investeringen”. Via het fiscale beleid moeten ondernemingen worden aangemoedigd om werknemers in dienst te nemen, er moet een betere juridische bescherming voor intellectueel eigendom en de sociale dialoog tussen werkgevers en werknemers moet op gang komen.

Bangemann erkent dat met het aanmoedigen van industriële samenwerking een gevoelig terrein wordt betreden, waarover ook binnen de Commissie de meningen zijn verdeeld. Samenwerking mag niet leiden tot oneerlijke concurrentie. Maar tegelijkertijd moet bij het beoordelen van samenwerkingsverbanden worden gekeken naar de mogelijkheden voor Europese bedrijven om 'wereldwijd' de concurrentieslag aan te kunnen gaan.

Bij het versterken van het concurrentievermogen speelt de houding van de overheden een cruciale rol. Bangemann zegt dat de Europese Commissie strenger wil gaan optreden tegen staatsteun aan bedrijven. In onder andere de staalsector en de luchtvaart hebben regeringen uit verschillende lidstaten de afgelopen jaren hoge subsidies verleent, zonder dat de Commissie bij macht bleek daar streng tegen op te treden. Bangemann bepleit ook een meer doorzichtigheid en vereenvoudiging van de regels en de controle op de naleving van het steunbeleid. Daarbij moet tegelijkertijd meer aandacht worden besteed aan de samenhang tussen Europese steun en steun die overheden in de lidstaten geven.

Bangemann zegt dat de rol van de publieke overheid ten opzichte van het bedrijfsleven moet worden “gemoderniseerd”. Overbodige wetgeving moet worden geschrapt en de besluitvorming versneld.