A cire perdue; Beelden van Jacobs van den Hof

Van 15 okt t/m 15 jan zal er in aanvulling op de tentoonstelling 'Er groeit een beeldhouwkunst in Nederland' in het Frans Hals Museum te Haarlem een aanvullende expositie in museum Jacobs van den Hof te zien zijn met werk van beeldhouwer Pieter Starreveld. Museum Gijs Jacobs van den Hof, Tetterodeweg 9 Overveen, ca. 300 meter van NS Station Overveen. Za en zo 12-17u, en na telefonische afspraak. Inl 023-272264.

Wie oog in oog wil staan met Rembrandt van Rijn als gewone man, reize af naar Overveen. Daar staat in het levensgroot beeld van de meester in uitgaansjas en met hoed op. Het beeld is slechts een gipsen afgietsel van het origineel en de maker, beeldhouwer heeft tot zijn teleurstelling nooit opdracht tot uitvoering gekregen. Toch wekt het de suggestie dat je de meesterschilder zo op straat tegen het lijf zou kunnen lopen.

Hoe mooi zou het ook zijn geweest de beeldhouwer zelf nog door zijn woonplaats Arnhem te hebben kunnen zien fietsen: met alpinopet op, boterhammen voor de lunch achterop en dagdromend over de status van stadsbeeldhouwer van Arnhem. Die eer is hem nooit te beurt gevallen noch de erkenning, die bekende tijdgenoten als John Raedecker, Hildo Krop en Mari Andriesssen wel verwierven.

“Mijn stiefvader was te bescheiden om in de schijnwerpers te staan”, verklaart Marijke Stoutjesdijk, die samen met haar man Rob het museum beheert. “En het ontbrak hem niet niet aan zelfkennis. 'Ik heb maar een beetje talent' zei hij altijd, 'maar daar woeker ik mee'.” Dat was de wijsheid van een oudere man, want zoals zoveel jonge, idealistische kunstenaars toog ook bakkerszoon Gijs Jacobs van den Hof op achttienjarige leeftijd in 1906 vanuit zijn geboorteplaats Arnhem naar Amsterdam om beroemd te worden. Hij liet zich inschrijven als beeldhouwer en huurde samen met de vier jaar oudere John Raedecker een zolder als atelier. De berooide jongens gedroegen zich geheel volgens de regels van de onontdekte kunstenaar. “Kopergeld smeten ze in een hoek, zilvergeld lieten ze achteloos op de grond tussen de beitelsplinters vallen,” vertelt Marijke Stoutjesdijk een geliefde anekdote van haar vader na. “Als al het geld op was, konden ze nog altijd de zilveren centen en vierduitstukken bij elkaar vegen.”

Raedecker zou later roem verwerven met een beeld van een mollige, naakte baadster. Een beeld van Jacobs van den Hof, wat daar erg op lijkt, staat nu in het museum te Overveen. Marijke Stoutjesdijk wijst fijntjes op de datum van het beeld van haar stiefvader. “Het is meer dan twintig jaar eerder gemaakt dan het beeld van Raedecker.”

De tijd in Amsterdam liep voor Jacobs van den Hof uit op een teleurstelling en na omzwervingen in België, Frankrijk en Duitsland keerde hij in 1918 terug naar Arnhem. Hij meldde zich aan als docent op de Academie Kunstoefening, werd tot zijn stomme verbazing aangenomen, hielp in datzelfde jaar de Nederlandse Kring van Beeldhouwers oprichten en bleef tot aan zijn dood in 1965 het vak van beeldhouwer en zijn woonplaats trouw. “Zijn aandeel in de beeldhouwkunst is nooit erkend,” zegt Marijke Stoutjesdijk, “of het zou zijn introductie van de bronsgietmethode à cire perdue, in Nederland moeten zijn. Veel van later bekend geworden beeldhouwers en bronsgieters leerden bij hem het vak.” Bij de verloren was-techniek wordt de vorm eerst in was geboetseerd, en daarna van een laag klei voorzien. De was wordt dan uitgestookt, waarna in de zo ontstane contravorm het brons wordt gegoten. De bewerkelijke methode - die zelfs de vingerafdrukken van de kunstenaar in het brons laat staan - kwam via een verwaaide Duitser op een avond huize Jacobs van den Hof binnen. Deze Gökking wijdde de beeldhouwer in, die zo gefascineerd raakte door het proces, dat hij er jarenlang mee bleef experimenteren en het als geen ander beheerste. “Vooral in de jaren vijftig en zestig kende Nederland een levendige industrie in die manier van bronsgieten. Het mogelijk grootste sculptuur ter wereld, 'Corporate Entity' van Wessel Couzijn uit 1963, die het in opdracht van Unilever maakte, is ook op die manier gemaakt. Het staat nu op het Weena te Rotterdam.”

Behalve het beheer over de zestigtal werken van Jacobs van den Hof hebben Marijke en Rob Stoutjesdijk hun handen vol aan het achterhalen van verloren werken. “Een aantal hebben we kunnen traceren, zoals een beeld in de hal van het gebouw van de Verenigde Naties te Genève en vier beelden op een brug in Groningen, maar er moet nog veel meer zijn. Niet dat we alles hier willen hebben, want ons museum staat al aardig vol.” Het museum is in het souterrain van hun huis ondergebracht. “Toen mijn moeder een aantal jaren geleden overleed, zaten we opeens met een hele flat vol beelden,” verklaart Marijke Stoutjesdijk. “We wilden ze niet aan een museum schenken, want dan zouden ze toch maar in een opslagkelder verdwijnen. Na enig beraad hebben we besloten deze voor publiek open te stellen.” Een officieel museum starten was aanvankelijk niet de bedoeling. De expositie 'Galerie Gijs' noemen was echter ook niet mogelijk. Er wordt immers niets verkocht. Bezoekers hebben volgens Marijke Stoutjesdijk een zekere schroom om de tuin in te wandelen, maar wie zijn drempelvrees overwint krijgt een persoonlijke rondleiding langs de aangenaam pretentieloze, zorgvuldig gemaakte bronzen, houten, marmeren en stenen beelden. Aanraken mag helaas niet. “Maar voor blinden maken we een uitzondering.”