Kameropera Nieuw Amsterdam sober, licht en doeltreffend

Voorsteling: El Cimarrón, een kameropera van Hans Werner Henze door De Nieuw Amsterdam en Gaudeamus. Libretto: Hans Magnus Enzensberger; vertaling: Michiel Bollinger; regie: Rufus Collins; zang: Steven Hans Voschezang. Gezien 9/9 De Brakke Grond, Amsterdam. Aldaar t/m 17/9. Tournee t/m 11/12.

Ze worden steeds zeldzamer, toneel- of muziekuitvoeringen als uiting van maatschappelijk protest. Opstandigheid past kennelijk niet bij de huidige tijd. Het lijkt of bewindslieden en machthebbers in een vacuüm opereren zonder dat de kunsten hun doen en laten kritisch volgen. In de jaren zestig was dat anders met groepen als Sater en Proloog. Theater als aanklacht en engagement: het klinkt als een anachronisme.

Het Amsterdamse gezelschap De Nieuw Amsterdam onder leiding van Rufus Collins heeft nog iets bewaard van dat aloude verzet, toegespitst op de positie van de minderheden in Nederland. Het onvermijdelijke van hun voorstellingen is dat ze belerend zijn op een zwaar-theatrale manier. Daarom kwam de uitvoering van El Cimarrón, een kameropera door Hans Werner Henze, voor mij als een grote verrassing. Een soberder en doeltreffender gebruik van middelen als zangstem, muziek en dans is nauwelijks denkbaar.

De opera is geïnspireerd op het gelijknamige boek uit 1963 van de etnograaf Miguel Barnet. De letterlijke vertaling luidt 'weggelopen slaaf'. Barnet noteerde als een monologue intérieur het verhaal van een meer dan honderd jaar oude man die in zijn prille jeugd slaaf was op Cuba, maar de plantage ontvluchtte en zich in de jungle schuilhield. Zijn ouders heeft hij nooit gekend. Zowel de ellende en vernederingen van de slavernij heeft hij meegemaakt als de vrijheid van de negers na afschaffing. Werkelijke vrijheid heeft hij echter nooit mogen smaken. Spanjaarden of Amerikanen verschilden niet veel van elkaar: elke opzichter of elke gangster noemt zich immers een christen.

Hoe hoog het tranengehalte ook lijkt, het libretto is in al zijn eenvoud van een grote poëtische lichtheid. Als refrein fungeert de cruciale, bijna montere regel: “Het is niet triest, want het is de waarheid.”

Voorop het toneel zit de bariton Steven Hans Voschezang, een man van nog geen vijfentwintig die met strohoed op en grijs gemaakt haar de oude neger speelt. Zijn voordracht houdt het midden tussen reciteren en zingen. Slechts af en toe gebruikt hij een illustratief middel als een slavenketting of machete. Door de distantie die hij ten opzichte van het dramatische verhaal inneemt, is hij te vergelijken met de evangelist uit de Matthäus-Passion.

De compositie van Hans Werner Henze voor fluit, percussie en gitaar is speels en grillig, met ritmisch opzwepende passages. Er is traditionele Afro-Amerikaanse muziek in te herkennen, flarden blues en jazz, er komen mysterieuze klanken uit velerlei blaasinstrumenten. Door de grote intervallen heeft de muziek een hallucinerend effect. Dat laatste wordt versterkt door de danser Steven Daniels, die als een zwarte schim optreedt tegen de reusachtige projectie van een slavenopstand. Deze indirecte, terughoudende manier van regisseren van El Cimarrón zorgt voor de noodzakelijke afstand tussen drama en de uitbeelding van drama. En dat creëert intensiteit.