Industriebond: meer dynamiek door werknemerskapitalisme

Vermogensaanwasdeling. De term roept vooral associaties op met de jaren zeventig en het kabinet-Den Uyl. Bij de Industriebond FNV krijgt de VAD een nieuw jasje. Want als ondanks loonmatiging de werkgelegenheid in de industrie verder afkalft, moeten goed geschoolde werknemers zelf maar ondernemer worden. Vermogensvorming is dan een belangrijke steun in de rug. De nieuwe marktdynamiek bij de bond.

De crisis lijkt overwonnen. De captains of industry lachen weer. Het Centraal Planbureau stelt de groeicijfers naar boven bij. Maar in “de blauwe badkuip”, het hoofdkantoor van de Industriebond FNV te Amsterdam, dragen de bestuurders nog dikke truien. “Wij zitten vreselijk met het probleem van de werkgelegenheid in de industrie in onze maag,” zegt beleidsmedewerker Kees Korevaar, de creatieve denktank van de bond. “De feiten geven te denken. Hoeveel we de lonen ook matigen, hoe indringend we ons ook bezig houden met herverdeling van arbeid, de inkrimping van werkgelegenheid gaat onverminderd voort. Voor het op hoger peil brengen van de werkgelegenheid is duidelijk meer nodig. We zullen ons als bond meer moeten bezig houden met het teweeg brengen van meer dynamiek.”

Korevaar heeft het begrip vorige week op zijn computer uitgewerkt. De titel van zijn stuk, Vermogensvorming door werknemers, zweemt naar de discussie over de vermogensaanwasdeling (VAD), die in de jaren zeventig het onderwerp van fel politiek en sociaal-economisch debat was. De benadering van Korevaar, zo blijkt, is echter gloednieuw en vloeit voort uit de zorg voor de werkgelegenheid. “Geruime tijd al leeft de gedachte dat de vakbeweging onvoldoende inbreng heeft in het werkgelegenheidsdebat,” steekt de beleidsmedewerker meteen in de eerste zin van zijn notitie de hand in eigen boezem. “De door ons bepleite instrumenten hebben hun waarde, maar leiden niet tot een grotere dynamiek binnen het bedrijf of op de arbeidsmarkt.”

Onder dynamiek verstaat Korevaar “een beleid dat wordt gekenmerkt door investeringslust, technologische vernieuwing, kwaliteit van de arbeid, produktiviteitsverbetering en mobiliteit op de arbeidsmarkt. “De meeste vakbondsvoorstellen in deze richting (bijvoorbeeld flexibilisering),” zo schrijft hij, “zijn uit nood geboren of afgedwongen. Bovendien zit er altijd een mits aan onze voorstellen. Dit plaatst de vakbeweging in een defensieve hoek, hetgeen niet motiverend is voor nieuwe en bestaande leden.” Waarop Korevaar zich afvraagt of er vakbondseisen te ontwikkelen zijn, die tot de kern van de belangenbehartiging gerekend kunnen worden en tevens groeibevorderend zijn.

Hij komt dan al gauw op het thema vermogensvorming. De redenering is verbluffend simpel. “Als de beroepsbevolking groeit,” licht de beleidsmedewerker zijn ideeën toe, “en bedrijven worden gemiddeld kleiner, hetgeen eveneens het geval is, dan rest ons maar een conclusie: er zijn meer bedrijven nodig.” Een conclusie die volgens Korevaar onder meer wordt gedeeld door het Koninklijk Nederlands Ondernemings Verbond (KNOV) en het Nederlands Christelijk Ondernemersverbond (NCOV). Hij verwijst naar de nota Self-employment van deze twee binnenkort fuserende ondernemersorganisaties, waarin de opkomst van het fenomeen “ondernemende werknemer” wordt aangekondigd.

Evenals KNOV en NCOV meent ook Korevaar dat de nieuwe ondernemers, die voor extra werkgelegenheid moeten gaan zorgen, gezocht moeten worden in de kring van de huidige werknemers. Voordat die voor zichzelf kunnen beginnen zullen ze echter een startkapitaaltje bij elkaar moeten hebben vergaard. Daartoe ziet Korevaar een aantal mogelijkheden. “Wij kunnen als Industriebond FNV een algemene vakbondseis formuleren, die luidt: betaal een deel van de loonsverhoging maar uit in aandelen van het bedrijf. In plaats van 2 procent extra loon vraag je dan 2 procent aandelen van bijvoorbeeld Philips. En dat jaren achter elkaar, zodat langzaam maar zeker een vermogen wordt opgebouwd. Bovendien kan per cao worden overeen gekomen dat werknemers aandelen kunnen kopen tegen een lage prijs, of kan aan werknemers het recht van optie op aandelen worden gegeven.”

Voor bedrijven die geen nieuwe aandelen willen uitgeven of die niet hebben, verwijst Korevaar naar een interessante suggestie die KNOV en NCOV doen. “Aangezien veel midden- en kleinbedrijven geen besloten vennootschap (BV) zijn,” zo schrijven beide ondernemersverbonden in de eerder aangehaalde nota, “zou daarbij ook moeten worden bekeken in hoeverre de ondernemingsvorm commanditaire vennootschap (CV) kan worden ingezet om de financiële betrokkenheid van werknemers te vergroten”.

Bij de commanditaire vennootschap wordt een scheiding aangebracht tussen leiding en financiering. De beherende firmanten hebben de leiding en brengen eventueel ook vermogen in; zij zijn hoofdelijk aansprakelijk. De commanditaire (“stille” of “slapende”) vennoten - in dit geval de werknemers - brengen vermogen in, maar onthouden zich naar de buitenwereld toe van het beheer van de onderneming. De fantasie van Korevaar reikt nog verder dan het midden- en kleinbedrijf. Hij ziet niet in waarom werknemers niet zouden kunnen participeren in de eigendom van bijvoorbeeld vliegvelden en havens, die nu nog overheidsbezit zijn. “Wanneer werknemers ook daar in staat gesteld worden certificaten van aandelen te verwerven, dan kan het zijn dat daar op een gegeven moment - wanneer de betreffende werknemers voldoende vermogen hebben opgebouwd - nieuwe hoogwaardige bedrijfjes in bijvoorbeeld de telecommunicatie, autolease of bagageafhandeling uit voortkomen.”

Werknemers krijgen steeds meer verantwoordelijkheid in de arbeidsorganisatie. De trend is die van de slanke onderneming met werknemers die veel verantwoordelijkheid dragen. Het wordt nu volgens Korevaar tijd dat dit ook een financiële vertaling krijgt. “Laat werknemers ook financiële verantwoordelijkheid dragen,” zegt Korevaar, “dat is geen straf, maar een beloning.” Hij beseft dat ondernemende werknemers de vakbeweging niet meer als belangenbehartiger nodig zullen hebben, maar neemt dat op de koop toe. De emancipatie van de werknemer was immers altijd al het doel van de moderne vakbeweging. Dan moet je niet zeuren als dit einddoel in zicht komt.

Volgens de beleidsmedewerker van de Industriebond FNV wijken zijn ideeën om de bezitsvorming van werknemers uit te breiden fundamenteel af van de gedachten over vermogensaanwasdeling (VAD) uit de jaren zeventig. Korevaar heeft zich goed gedocumenteerd. Op zijn bureau liggen het dertig jaar oude rapport van de studiecommissie van de toenmalige vakcentrales NVV, NKV en CNV, getiteld Bezitsvorming door vermogensaanwasdeling en de reactie daarop uit 1965 van de Raad van Nederlandse werkgeversverbonden Wegen naar bezitsvorming. De eerstgenoemde commissie werd voorgezeten door toenmalig FNV-voorzitter A. Kloos. Verder zaten er onder meer in de latere ministers van Sociale Zaken J. Boersma en W. Albeda.

De vakcentrales stelden voor de werknemers in een onderneming een geblokkeerd aandeel toe te kennen in de overwinst van elk naar winst strevend bedrijf. De overwinst werd gedefinieerd als de netto-winst na aftrek van belastingen en verminderd met een redelijke vergoeding over het eigen vermogen. Begin 1974 werd dit idee nieuw leven ingeblazen door toenmalig NVV-voorzitter Wim Kok. Diens bedoeling was excessieve winsten af te romen van bedrijven. Het werd één van de hervormingsvoorstellen van het kabinet Den Uyl, met Boersma op Sociale Zaken. Om veel geld ging het niet. De Interim-nota inkomensbeleid uit 1975, waarin de VAD werd uitgewerkt, becijferde een opbrengst van vijfhonderd miljoen gulden. Omgerekend was er maximaal gemiddeld 125 gulden per persoon per jaar beschikbaar in de vorm van collectieve en individuele aanspraken. De opbrengst kwam ook nog voor de helft uit winsten op de verkoop van aardgas. Reden waarom Albeda later van een “vermogensaardgasdeling” sprak.

Vanaf 1975 werd er acht jaar lang over de VAD gediscussieerd. Daarbij ging het er vaak stevig aan toe. Den Uyl werd vanuit de oppositie heftig bestreden door toenmalig VVD-leider Hans Wiegel, die in de Vermogensaanwasdeling een socialistisch stokpaard zag. Hoewel het kabinet Den Uyl feitelijk viel over de grondpolitiek, droeg Wiegel's kritiek op de VAD daartoe veel sterker bij. Maar de VAD was daarmee niet van tafel. Het oorspronkelijke wetsontwerp van het kabinet Den Uyl werd tot tweemaal toe door volgende kabinetten gewijzigd. Het uit 1980 daterende laatste wetsontwerp voorzag in een verplichte afdracht van een deel van de ondernemingswinst, die naar keuze van de ondernemer in (certificaten van) aandelen of in vermogensaanwasbewijzen zou moeten worden voldaan. Deze verplichting zou moeten bestaan als ondernemingen een winst zouden maken die hoger was dan een aan de kapitaalverschaffers toekomende primaire vergoeding (het rentepercentage op staatsobligaties verhoogd met drie procentpunten). Het wetsontwerp werd in 1983 door het no nonsense-kabinet Lubbers ingetrokken.

Nu is het aloude idee ineens weer terug van weggeweest. Maar het is intussen wel van gedaante veranderd. Zo gaat het nu niet meer om een van overheidswege afgedwongen collectieve overwinstdeling, maar om een individueel recht op vermogensvorming. “Ik ben niet voor werknemersfondsen,” zegt Korevaar. “Ik ben er ook niet voor dat de overheid fondsen afroomt. De oude lijn van Keynes was: laat de werknemer consumeren en de overheid investeren. Ik zeg: laat de individuele werknemer investeren. Het gaat mij niet om het herverdelen, maar om het herinvesteren van winst. Als de werkgevers dit niet willen kunnen hun werknemers dat doen. ” Zo bezien heeft Korevaar's voorstel minder met de oude Vermogensaanwasdeling te maken, als met een ander nog ouder idee: dat van het investeringsloon. Dit idee werd in 1954 ontwikkeld in Duitsland en hield in dat loonsverhogingen dienden te worden gesplitst in een consumptief loonbestanddeel en een loonsverhoging bestemd voor investeringsdoeleinden. De begrippen VAD en Investeringsloon liggen wel in elkaars verlengde. Ze hebben beide tot doel de bezitsvorming onder werknemers te bevorderen. Beide beogen ook een zoveel mogelijk uniforme loonbeweging te bevorderen. In sterke bedrijfstakken hoeft geen ruimte onbenut gelaten te worden. Die kan immers worden afgeroomd middels winstdelingregelingen of investeringsloon.

Zou dit middel niet bestaan, zo luidt de redenering, dan zouden de bonden hoger loon moeten vragen, met het risico dat dit een uitstralingseffect heeft naar zwakkere bedrijfstakken die dat hogere loon eigenlijk niet op kunnen brengen, hetgeen tot ongewenste stijging van werkloosheid in die bedrijfstakken leidt. Een natuurlijke spanning die op dit moment van exploderende winsten weer duidelijk merkbaar is. Winstdeling en vermogensvorming voor werknemers kunnen dan uitkomst bieden. Ze vergroten natuurlijk wel de ongelijkheid tussen werknemers bij florerende en minder goed renderende bedrijfstakken (waaronder ook de overheid).

Wanneer Nederlandse ondernemingen meer aan vermogensvorming voor werknemers gaan doen lopen ze een forse achterstand in die Nederland op dit vlak heeft ten opzichte van omrichtende landen als Frankrijk en Engeland en bijvoorbeeld de Verenigde Staten. De VS kennen sinds 1974 de Employee Stock Ownership Plan (ESOP). In april 1991 bestonden er 9.870 van deze werknemers aandelenplannen bij evenzovele Amerikaanse ondernemingen. “Door deze ESOP's zullen circa 11,3 miljoen werknemers (ruim 10 procent van de werkende bevolking in de VS) op termijn aandelen gaan bezitten in de vennootschap waar zij werkzaam zijn,” zo meldt Mr. A. Voûte in zijn proefschrift Aandelen voor werknemers, motivatie door participatie.

De oude Vermogensaanwasdeling was een collectieve, door de wetgever afgedwongen regeling. Over de nieuwe VAD van Korevaar wordt per CAO onderhandeld, of in overleg tussen werkgever of Ondernemingsraad vorm gegeven. “Ik presenteer geen masterplan,” zegt Korevaar. “Er zijn vele wegen die naar het doel leiden”. Het is ook geen sprong in het diepe, want er bestaan al bedrijven waar het idee in de praktijk wordt uitgevoerd.

Bij Atag bijvoorbeeld. Bij deze beursgenoteerde fabrikant van duurzame consumptiegoederen, die onderhevig zijn aan snelle technologsche ontwikkelingen (verwarmings- en keukenapparatuur, fietsen) wordt de overwinst per werkmaatschappij bepaald en fifty-fifty verdeeld over de onderneming en werknemers. Overeenkomstig het laatste VAD-wetsontwerp uit 1980 wordt van de netto winst wel eerst een vergoeding voor het ter beschikking stellen van kapitaal (minimaal 4 procent boven de rentevergoeding op staatsleningen) afgetrokken. Aan het eind van elk kwartaal wordt deze overwinst uitgekeerd.

“Dat is een zeer goed middel om de betrokkenheid van de medewerkers bij het bedrijf te vergroten,” zegt algemeen directeur Ir. H. Wezenaar van Atag-dochter Batavus. “Die winstuitkering kan oplopen tot tien à twaalf procent van het kwartaalsalaris. Dat is substantieel. Het past in onze managementbenadering om werknemers steeds meer verantwoordelijkheid te geven, maar ook te laten meedelen in de winst. Daarnaast hebben we nog een aandelenspaarplan waaraan alle werknemers meedoen.”

Binnen het huidige Atag aandelenspaarplan, dat in het kader van Atag's beursintroductie in 1987 is ingevoerd, kunnen medewerkers aandelen kopen tot een bedrag van f1500 per jaar, waarvan 300 gulden voor rekening van Atag komen. In 1993, zo meldt het jaarverslag, werd door werknemers voor bijna 1,4 miljoen gulden aandelen gekocht. Van de Atag aandelen is inmiddels 8 procent in handen van het personeel. “Het draagt bij tot de vermogensontwikkeling van mensen,” zegt Wezenaar. “Veel werknemers hebben op deze manier al een aardig kapitaaltje van zo'n dertigduizend gulden bij elkaar gespaard.” Het mede-aandeelhouderschap van werknemers legt Atag geen windeieren, want over het eerste halfjaar van 1994 werd 18,8 procent winststijging geboekt. Eind dit jaar loopt de in 1987 met de fiscus getroffen regeling af en werknemers kunnen werknemers hun vermogen eind 1995 belastingvrij incasseren als ze dat willen.

Veel werknemers van Boskalis ontvangen binnenkort eveneens meer dan een halve ton voor hun aandelen. Evenmin als bij Atag is dat voldoende om een eigen industrieel bedrijf mee te starten, maar het is alvast een begin. Bovendien kan met deze aandelen als onderpand een veelvoud van dat bedrag worden geleend bij de bank. Als het aan Atag ligt, dan bouwen de werknemers de komende jaren nog veel meer vermogen in hun eigen bedrijf op.

Korevaar heeft met zijn ideeën voor het starten van nieuwe bedrijven door werknemers met name de beter opgeleide, gekwalificeerde werknemers op het oog. Hij wijst erop dat bij de vijf grootste ontwikkelcentra van Nederland, TNO, Unilever Vlaardingen, het Nat Lab van Philips, Akzo Research en Shell Lab de komende jaren mensen moeten verdwijnen. “Shell bijvoorbeeld is geweldig aan het afslanken,” zegt Korevaar. “Ze hebben daar een gouden sociaal plan gemaakt waarbij mensen die voor zichzelf kunen beginnen een bedrag krijgen uitgekeerd en faciliteiten krijgen om zelf een bedrijf te starten. Waarom zouden we dat idee niet verder uitwerken? Waarom zou zoiets alleen bij calamiteiten moeten gebeuren en niet ook in normale bedrijfssituaties?

Grote innovatieve ondernemingen zouden broedplaatsen kunnen instellen, waar werknemers het ondernemerschap leren. Produktideeën die uit de boot vallen omdat ze niet tot de kernactiviteiten van de onderneming behoren zouden door dergelijke ondernemende werknemers kunnen worden opgepakt. Als werknemers dan ook nog enig vet hebben in de vorm van vermogen, dan kunnen daaruit nieuwe ondernemingen ontstaan. Ondernemingen zouden werknemers ook voor eigen rekening produkten kunnen laten ontwikkelen. Of, wanneer bepaalde activiteiten worden afgestoten - zoals automatiseringsafdelingen van Philips, DAF en Fokker - dan kan aan voor zichzelf beginnende werknemers een stuk markt worden meegegeven.''

“Helemaal geen gekke gedachte,” reageert PvdA-kamerlid Ruud Vreeman, die in een vorig bestaan zelf bij de Industriebond FNV werkte op de afdeling Scholing. “Korevaar koppelt het idee aan werknemers die zelf ondernemer zouden kunnen zijn. Mensen met een relatief hoog technologische kwalificatie. In andere varrianten zou je er misschien ook elders wat mee kunnen doen. Zijn benadering om meer nadruk te leggen op economische groei, produktiviteit en het stimuleren van ondernemerschap spreekt mij zeer aan. Onderwerpen als winstafhankelijke beloning en aandelenbezit voor werknemers staan inmiddels ook op de politieke agenda. Wat betreft het aandeelhouderschap voor werknemers loopt Nederland nog erg achter bij bijvoorbeeld de VS, Groot Brittannië en Frankrijk. Daar valt nog veel te winnen.”