Het parcours van Jeanne d'Arc historisch getraceerd

Jeanne la Pucelle. Deel 1: Les batailles. Deel 2: Les prisons. Regie: Jacques Rivette. Met: Sandrine Bonnaire, André Marçon, Jean-Louis Richard. In: Amsterdam, Desmet; Eindhoven, Plaza Futura; Den Haag, Filmhuis.

In 1456, een kwart eeuw na de dood van Jeanne d'Arc op de brandstapel, begon de Kerk op instigatie van de door toedoen van de Maagd van Orléans op de troon belande koning Karel VII een onderzoek naar de feiten uit haar korte leven (1412-1431). Dat zou leiden tot de herroeping van haar vonnis. De Franse regisseur Jacques Rivette nam dat onderzoek als uitgangspunt voor zijn film Jeanne la Pucelle. Waar de meeste films over Jeanne d'Arc - om de een of andere reden wordt die achternaam door Rivette totaal vermeden - zich concentreren op het begin van haar roeping (de visioenen in Domrémy) en het inquisitieproces in Rouen, is Jeanne la Pucelle een nauwgezette historische reconstructie van haar parcours tussen Maas en Seine, een quasi-documentaire 'road movie', met recht in de camera uitgesproken getuigenissen van strijdmakkers en passanten.

Voor zover mogelijk weigert Rivette zijn visie op Jeanne te laten kleuren door interpretatie. In de vijf en een halve eeuw die sindsdien verstreken, is zij immers als heldin en martelares opgeëist door katholieken, republikeinen, nationalisten en zelfs anti-semieten. Rivette neemt de tijd - ruim vijf en een half uur - om de gebeurtenissen en de historische Umwelt van zijn personage ruimhartig in beeld te brengen. Daarbij past een zakelijke stijl, een overdaad aan dialogen en het vermijden van mythologiserende close-ups: niet toevallig werd het dramatische gebruik van de close-up zo ongeveer uitgevonden in Dreyers La passion de Jeanne d'Arc (1928).

De Jeanne die uit Rivettes film naar voren komt is jong, ernstig en charismatisch, vooral in haar bijna magische inspiratie van het leger van de Dauphin. Voor zover dat mogelijk zou zijn voor een middeleeuwer speelt de religieuze zijde van haar missie een ondergeschikte rol. De visioenen worden gerelativeerd door Jeanne's scepticisme over de aanspraak van een andere vrouw op nachtelijk heiligenbezoek. Wel benadrukt Rivette de cultus van haar maagdelijkheid en het afzweren van een specifiek vrouwelijke identiteit door het dragen van mannenkleren. Zijn Jeanne is een soldaat onder de soldaten, fanatiek, maar niet dweperig. Sandrine Bonnaire, die te oud is voor de rol, speelt haar menselijkheid grotendeels zeer overtuigend.

Grote aandacht krijgt ook het politieke opportunisme van de edelen, de clerus en de kroonprins zelf, die uiteindelijk zal leiden tot haar ondergang. Dit lijdensverhaal spoort slechts met dat van Jezus, wiens naam ze op de brandstapel lispelt, als men het verraad aan Hem ook eerder als politiek-historisch proces wil interpreteren dan als goddelijk offer.

Hoewel het moeilijk is de aandacht steeds gespannen te houden bij het kijken naar de tweedelige film, gaan de vijf en een half uur sneller voorbij dan je zou denken. Het is een steriele en zware film, maar weldadig geserreerd vergeleken bij de soms ondraaglijke pretenties van een deel van Rivettes eerdere werk.

Enkele passages zijn werkelijk heel goed, zoals de plechtig verbeelde kroning van de Dauphin tot Karel VII in Reims, waarin Jeanne ten onrechte, maar zeer veelbetekenend nauwelijks in beeld verschijnt. Het heen en weer bewegen van de menigte, die de nieuwe koning tracht te zien, is een schitterend filmisch moment. Ook sommige oorlogsscènes, met name tijdens het ontzet van Orléans, getuigen van groot raffinement. Het is een klein wonder dat zelfs de obligate brandstapelscène in de handen van Rivette weer oorspronkelijk wordt.

De uitbreng van de film maakt het mogelijk de beide delen (Les batailles en Les prisons) op afzonderlijke avonden te bekijken, of aan één stuk, hetgeen uiteraard de voorkeur zou verdienen. Jeanne la Pucelle vergt veel van de toeschouwer, maar die inspanning wordt beloond, bij voorbeeld doordat de film in de herinnering steeds beter wordt.