Het milieu tussen stilzwijgen en eloquente gelatenheid; Wijers en De Boer verdedigen gasboringen bij parlementair debuut

DEN HAAG, 14 SEPT. Het liep al tegen half vijf toen zich, tijdens de eerste schorsing van het debat in de Eerste Kamer over gasboringen in de Waddenzee, van een aantal ambtenaren grote opwinding meester maakte. Op het zonovergoten Binnenhof waren ze het er onderling al over eens dat het debat met een sisser af zou lopen. Slechts een enkele ambtenaar van minister Wijers (D66) vroeg zich af of er wegens de motie van diens fractie niet toch “een soort conflict” lag. Voor het overige werd er slechts gesomberd over het feit dat de ministers Wijers en De Boer nu hun eerste optreden hielden over een onderwerp waar zo weinig eer aan te behalen viel. Een erfenis van het vorige kabinet, het was wel pech.

Maar toen kwam de koerier. Hij had een kort briefje bij zich, te ondertekenen door de nieuwe minister van VROM. De Boer, stond erin, wilde zich “verdiepen in enkele oplossingen” die als alternatief voor de gasopslag bij het Drentse Langelo waren genoemd. Ook die gasopslag was een erfenis van het vorige kabinet waar minister De Boer, voormalig commissaris van de koningin in Drenthe, zich wegens de continuïteit van bestuur bij neer had kunnen leggen. Maar zij had anders beslist, en dat nieuws kwam op een goed moment.

Het was niet de enige slimme zet van De Boer (PvdA) gistermiddag. Haar betoog begon met de verklaring dat “we hier met z'n allen verbonden zijn door het gevoel dat we de Waddenzee willen houden zoals die is” en zette vervolgens een groot deel van de Eerste Kamer op het verkeerde been. Ook de minister wilde een integrale afweging van de milieu-effecten, verzekerde ze. Alle negatieve gevolgen van boringen voor het milieu zouden in kaart gebracht moeten worden, het moest gaan om “de effecten op het geheel”.

Toen ze even later de motie ontraadde waarin GroenLinks, D66, GPV en RPF om zo'n milieu-effectrapportage vroegen, werd duidelijk dat het een spraakverwarring betrof. De Boer zei “integraal”, maar bedoelde dat milieu-effectrapportages over geplande boringen “bij voorkeur een integraal karakter hebben”. En dat is precies wat ook het vorige kabinet deze zomer aan de Eerste Kamer schreef. De minister, zei PvdA-senator Van Kuilenburg-Lodder, “heeft heel mooi antwoord gegeven”. “Even dachten we: dat lijkt wel wat wij ook willen.”

De Boer kende haar zaakjes goed en kon daarom het besluit van het vorige kabinet overnemen zonder zich “erachter te verschuilen”. De minister had zich “indringend met de kwestie bezig gehouden”, onder meer door nog eens met de oliemaatschappijen te praten. Daarbij was het haar duidelijk geworden dat “de heren van mening zijn dat de overheid zich aan haar afspraken moet houden”. En dan kon D66-senator Spier nog zulke fraaie woorden wijden aan het gebrek aan maatschappelijke noodzaak van boringen, voor haar was het vanaf dat moment “een maatschappelijke noodzaak om het probleem met de oliemaatschappijen op te lossen”. “Want kijk meneer Spier, het is niet zo dat ik aantrad en toen zei: het zij zo.”

Bij het kordate optreden van De Boer verbleekte dat van minister Wijers enigszins. Die zette namens zijn ministerie op een rij wat de baten van het gasboren zijn voor de economie, voor de werkgelegenheid en voor de gasvoorziening. In het nauwgezet voorgelezen betoog was weinig aandacht voor het milieu ingeruimd. Het kwam hem te staan op een reprimande van GroenLinks-senator Pitstra, die de minister verzekerde dat het milieuthema hem “nog jaren zal achtervolgen”. Het ware beter geweest als Wijers zich wat “creatiever en inventiever” had betoond. Maar dat bracht Wijers niet van zijn stuk. “Het herhalen van leuzen werkt misschien bij televisiereclame, het werkt niet in het bestuur van het land.”

Zelf leek Wijers het niet erg te vinden dat hij minder in de materie ingevoerd was dan minister De Boer. Een paar maal kon hij worden betrapt op een half wanhopige, half grinnikende blik in de richting van zijn op dit gebied eerstverantwoordelijke collega, één keer stapte hij opzij om haar een antwoord te laten geven dat hijzelf schuldig moest blijven. Ook zijn ambtenaren gaven na afloop ruiterlijk toe dat De Boer het in het debat beter had gedaan. Hen deerde het evenmin. Natuurlijk, Wijers was “anders dan Koos”, die zich “nergens wat van aantrok”. Bovendien had hij “minder ervaring”. Maar het ging nu niet om scoren, het ging om de vraag wat behoorlijk bestuur was.

En precies met die vraag worstelden de fracties van D66 en PvdA net zo erg als hun ministers. Zo had de PvdA laten doorschemeren de motie van GroenLinks te zullen ondertekenen, maar zag men daar op het laatste moment van af. Naar verluidt was er telefoon geweest van “de overkant”. Fractieleider Wallage zou hebben laten weten niet erg blij te zijn met de opstelling van de Eerste-Kamerfractie. In het vorige kabinet zei Kok als minister van financiën al dat er “geen taboe” op gasboringen mocht rusten. Zelf verklaarde PvdA-senator Van Kuilenburg-Lodder na afloop van het debat dat haar fractie de motie niet had ondertekend, “omdat de PvdA daar terughoudend in is”. Ook vond men het niet oirbaar dat al in eerste termijn een motie werd ingediend.

De fractie van D66 ondertekende de motie wel, maar leek daar later spijt van te krijgen. Na het antwoord van de ministers zag senator Spier af van een reactie in tweede termijn. Zijn fractie wilde in de handelingen het betoog nog eens goed nalezen, om daarop over twee weken het stemgedrag te baseren. Maar ook als D66 en PvdA het kabinetsbesluit zouden afkeuren is een meerderheid van CDA en VVD er voorstander van. De vraag van CDA-senator Baarda of het afraden van de motie door De Boer en Wijers betekende dat de kabinetskwestie zou worden gesteld, leidde dan ook tot enige hilariteit. “PvdA en D66 wilden even hun milieusmoel laten zien, meer niet”, bromde een ambtenaar.