GGD van armenzorg naar hernieuwde strijd tegen tbc

De Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) in Rotterdam bestaat 75 jaar. Vandaag wordt dit gevierd met een symposium: De GGD en de grootstedelijke gezondheidsproblematiek. Over de voor- en nadelen van de grote stad.

ROTTERDAM, 14 SEPT. Tuberculose is terug in de grote stad. Dat is een van de problemen waar de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) in Rotterdam mee te maken heeft. In juli werden over het eerste halfjaar van 1994 al meer dan honderd tbc-patiënten geregistreerd. Aan het einde van het jaar zullen dat er naar verwachting bijna tweehonderd zijn. De tuberkelbacil reist meestal mee met mensen uit Marokko en Turkije, maar ook uit andere Afrikaanse en Aziatische landen. De behandeling van de infectieziekte wordt steeds gecompliceerder omdat veel tbc-bacteriën resistent zijn geworden tegen de gebruikelijke geneesmiddelen.

“Voor ons is tbc nieuw, of liever gezegd terug van weggeweest. Gelukkig weten we de ziekte nog wel te behandelen maar het is schrikbarend met hoeveel pillen dat gepaard gaat en hoe lang zo'n kuur duurt”, zegt prof.dr. F. Sturmans, directeur van de GGD in Rotterdam. Omdat tbc veel mensen treft die “zichzelf slecht verzorgen of het niet zo nauw nemen met hun gezondheid” probeert de GGD de groep tbc-patiënten te begeleiden. “Zij zijn een bedreiging voor de rest van de bevolking - besmetting willen we te allen tijde voorkomen.”

Het behandelen van volksziekten, het voorkomen van volksziekten en het inzicht geven in de volksgezondheid aan de gemeenteraad, dat zijn al 75 jaar belangrijke werkterreinen van de gezondheidsdienst. Vroeger hield de dienst zich vooral bezig met armenzorg. Zo'n 'vangnetfunctie' heeft zij nog steeds maar nu vooral gericht op drugsverslaafden en dak- en thuislozen.

Veel intitiatieven zoals het buddy-project voor aids-patiënten, opvang voor dementerende ouderen en verschillende vormen van thuiszorg worden door de GGD ondersteund of opgezet. Daarna draagt zij de projecten over aan een zelfstandige organisatie.

In de grote steden zijn indrukwekkende gezondheidsverschillen. Soms bestaat er tussen buurten in één stad wel vijf tot tien jaar verschil in levensverwachting. De gemeentelijke gezondheidsdiensten kwamen vorig jaar tot de conclusie dat in de volksbuurten van grote steden veel meer mensen voor hun 65ste sterven dan in de wijken waar de 'betere standen' wonen. Dit onderzoeksresultaat deed Bie in een Koot & Bie-uitzending ooit eens zijn stulpje verlaten en een villa betrekken. “Daarmee gaf hij precies aan wat een lariekoek zo'n uitspraak is - het ligt aan de mensen, niet aan de wijk”, zegt beleidsmedewerker ir. J. van den Bogaard resoluut.

Ook 'buiten wonen' is niet per se gezonder dan leven in een grote stad. “Wij verwijzen niemand naar het platteland omdat hij daar langer zou leven dan in de stad”, zegt Sturmans, die zelf het buitenleven in Limburg opgaf om in Rotterdam te wonen en te werken. Het enige echte verschil vindt hij de leefruimte en het verkeer.

Naast het bestrijden van tbc is de GGD Rotterdam - evenals gezondheidsdiensten in andere grote steden - zich aan het richten op het milieu als onderdeel van “een gezonde stad”. Volgens Van den Bogaard moeten kinderen te veel concurreren met het verkeer. Auto's beheersen de straat, veroorzaken stank en ontnemen kinderen speelruimte. “Als kinderen zeggen waar zij het liefste spelen, geven zij altijd als reden voor de gekozen plaats: 'omdat daar geen auto's zijn'.” Jantje Beton bestaat nog steeds. Ook pikken oudere kinderen de voetbalveldjes in en krijgt een peuter nog geen meterbrede strook op het schoolplein om te rolschaatsen. De GGD werkt samen met stadsplanning aan de herindeling van de ruimte en vraagt buurtbewoners om hun mening als er een park ingericht moet worden.

Kinderen uit de stad hebben grotere aanleg voor motorische afwijkingen dan kinderen uit dorp of kleine stad. Een leraar uit Almere ontdekte dat op zijn school alle kinderen uit Amsterdam “moeite hadden met de ruimte” en zich krampachtig bewogen. In hun eigen omgeving worden ze geremd doordat er geen plaats voor hen is. Bewegingsvrijheid is voor een kind in ontwikkeling van enorm belang.

In samenwerking met huisartsen, leraren en ouders of verzorgers geeft de GGD 'opvoedingsondersteuning'. Want een achterstand in pedagogische en/of emotionele ontwikkeling zou kunnen leiden tot onaangepast gedrag.

GGD-directeur Sturmans noemt de agressie en daarmee samenhangende criminaliteit onder de jeugd schrikbarend. “We moeten ook hier een preventieve rol spelen. Weer zowel voor de kinden zelf als voor de bevolking die zich bedreigd voelt. Dat is weer onze dubbelrol.” De GGD wil geen 'opgeheven vingertje', zoals wel in andere grote steden gebeurt: politiemannen voor de klas, ex-drugsverslaafden in het lespakket. De dienst kiest voor een geïntegreerde aanpak. Van den Bogaard: “Wij leren kinderen een eigen keuze te maken. Niet zeggen: dit mag niet en dat is verkeerd. Maar ze laten zien wat de mogelijkheden zijn. Laat ze zelf maar kiezen - als ze maar niet steeds hun vriendjes volgen want daar worden ze niet beter van.”