De mooiste kermis is met hondeweer

Misschien weet u niet hoe een anti-parkeerblok eruit ziet. Welnu, als een wat plat uitgevallen koffer van beton. Eén meter lang, zeg maar, en met een ijzeren haak bij wijze van handgreep. Voor alle zekerheid doe ik er dit schetsje bij. Zo dus:

Twee-, drie-, vierhonderd van die dingen staan er op de plek waar ik woon, om het gedempte deel van de gracht tussen de bomen te vrijwaren voor auto's. Dat is de taak van de anti-parkeerblokken, althans gedurende de driehonderdvijftig dagen dat ze dienst doen. Tijdens de jaarlijkse kermis hebben ze vrijaf.

Het is weer najaar. Voor ons betekent dat om te beginnen die kermis. Vroeger gingen we, niet belemmerd door schoolgaande kinderen, weg. Maar dat gaat nu niet. Ik kijk uit mijn raam en zie de welbekende voorbereidingen; het wordt mijn eenentwintigste kermis. Daar gaan ze weer, de anti-parkeerblokken. Twee mannen met twee vrachtauto's zijn een of twee dagen in de weer met (a) het optillen en in de laadbak plaatsen van telkens twee blokken tegelijk, overigens met bewonderenswaardige precisie; (b) het verrijden van hun volle laadbakken naar een tweetal plekken die zich binnenkort ergens tussen en achter de verrezen attracties zullen bevinden; (c) het aldaar wederom met de grootst mogelijke precisie uitladen en op elkaar stapelen van de anti-parkeerblokken, tot een soort van mastaba's.

Dit is hun finest hour. De blokken bedoel ik. Maar de aanblik van de gedempte gracht staat het hele jaar door al in het teken van de tiendaagse. De anti-parkeerblokken stellen het gemeentelijk grondbedrijf in staat tot de jaarlijkse exploitatie van wat het hele jaar door al een kermisterrein in afwachting is. Dus worden er bij voorbeeld ook geen nieuwe bomen geplant daar waar ze vroeger gestaan hebben en nog altijd zouden horen, namelijk op het grote stuk waar het grote geld verdiend moet kunnen worden: de voor de botsautootjes benodigde ruimte.

Maar wacht nou even. Je zou een stukje kunnen schrijven waarin je je hoedt voor de vloek van deze tijd, de botte belangenbehartiging. Je zou laten blijken dat je elk jaar je best doet om de kermis best wel een heel klein beetje leuk te vinden. Aanvankelijk. Dat je, of je wilt of niet, altijd weer verbaasd bent over de komst van de enorme kolossen die zich door de smalle binnenstadstraten wringen en met de hun eigen plompe puffende en stinkende elegantie precies daar weten te komen, achteruitrijdend met aanhangers en al, waar ze wezen moeten. (Terwijl het niet kàn.) Je ziet de attracties verrijzen, je hoort het gevloek. En als alles staat, vind je het een avond en een ochtend lang wel mooi, het lichtelijk surreële aanzien dat de gedempte gracht heeft verkregen door chroom en staal, schreeuwende kleuren en bizarre vormen. Dat moment van afwachting, die stilte voor de storm, heus, dat heeft wel wat.

Daarna breekt de hel los, dat weet je. Maar dat verhindert je niet om oliebollen te eten uit de gebakskraam. Nu hij dan toch weer - traditiegetrouw - pal tegenover jouw huis staat. Je bent namelijk overgegaan tot zo groot mogelijke lijdelijkeid. Je zorgt zo goed en zo kwaad als dat gaat dat je er niet bent 's middags en 's avonds. Je neemt tandenknarsend een noodwerkruimte in gebruik. Je hebt er geen zin in, elk jaar maar weer, om je op te gaan winden en boos te worden over de vernielingen die er aangericht worden. Een eindje verderop is een monumentaal traphek, dat jaarlijks bezweek onder het gewicht van de enthousiaste kermisbezoekers, nu definitief vervangen door een demontabel. Je herinnert je de oude buurman die tot jouw verbazing bezig was zijn raam te beveiligen tegen de jaarlijkse zitters op de vensterbank. Je doet je best wel weer om je het plezier voor te stellen, in theorie, van vooral de kleinste bezoekers van de kermis, de kleuters die hun trage rondjes draaien in de draaimolen, op hun paardjes, in hun helikoptertjes. Of is dat toch vooral het plezier van hun liefhebbende ouders die weer druk staan te fotograferen? Hoe dan ook. Het verheugt je als er temidden van de jaarlijkse oprukkende rotzooi en elektronica zelfs maar één aardige attractie bij zit. De spiegeldoolhof komt nooit terug. Je kunt heel leuk vertellen over treurige mannen die drie kwartier lang met een Holly Crane naar een horloge staan te vissen - het eenzaam avontuur van de moderne mens. Heus, ik kan het van diverse kanten bezien allemaal.

Maar het mooist vind ik de kermis bij stromende regen en liefst ook nog met veel donder en bliksem die de godvergeten herrie overstemmen waarvoor we ons tien dagen lang niet bergen kunnen. Voor of achter, boven of onder, de muziek omgeeft ons. Pompende, vette muziek. Waren er maar koptelefoons met stilte. Als de bladeren in zo'n vroege herfst van de bomen gegeseld worden en ik even in de deuropening ga staan om naar buiten te kijken, hoe dik de pijpestelen zijn die het regent, en hoe het roffelt op al die verdomde attracties, dan voel ik me bijna de herfstgod zelf, die geen enkel mededogen kent, noch met de iepen noch met de exploitanten noch met de omwonenden. Bijna. Want maar al te graag zou ik de kermis met de bliksem treffen, en het gemeentelijk grondbedrijf en de hele gemeenteraad erbij.