Compromis zonder uitzicht

Cuba is een Amerikaans complex; Castro is daarin het taboe. Daarom is het moedig van Zbigniew Brzezinski een artikel te publiceren waarin hij, hoe geclausuleerd ook, voorstelt het Amerikaanse handelsembargo tegen Cuba geleidelijk op te heffen. De veiligheidsadviseur van president Carter heeft een soort schema opgesteld, ongeveer volgens de manier waarop Polen zich van volksdemocratie naar democratie heeft bewogen: een geleidelijke verlichting van het embargo in ruil van een geleidelijke overgang van dictatuur naar democratie. “Als Castro zou weigeren - wat in dit stadium het meest waarschijnlijk is - zou dat de steun voor de positie van de Verenigde Staten versterken. Zo zou de oude dictator verder worden verzwakt en geïsoleerd, en daarmee zou de kans op succes van een opstand tegen zijn regime worden vergroot.”

Het is een vorm van moed, gedekt door een machiavellisme uit zelfbescherming tegen eventuele beschuldigingen van rechtzinnige Castro-haters die er niet tegenop zouden zien, Brzezinski als communistenvriend te beschouwen. Hij heeft wel de kat de bel aangebonden maar zich aan alle kanten ingedekt.

Wat is intusen de werkelijke situatie. Het bewind van Castro loopt op zijn laatste benen. De staat zakt zichtbaar in elkaar, veel sneller dan de Oosteuropese volksdemocratiën en de Sovjet-Unie tussen 1987 en 1990. De strohalm waaraan het zich de laatste tijd heeft vastgeklampt, de ontwikkeling van het toerisme, wordt door de crisis die nu is uitgebroken omver geblazen. Serieuze bondgenoten zijn er niet meer. De rol van agitator in Latijns Amerika, die Cuba nog lang heeft gehad, is uitgespeeld. Voor de Verenigde Staten betekent het land geen enkel gevaar meer.

Om een aantal redenen ligt het dus voor de hand dat Washington een 'zachte landing' uit het barre communisme in de democratische haven zal bevorderen. Dit zou betekenen dat er niet op een revolutie van de hongerenden en de onderdrukten tegen het bewind wordt aangestuurd, maar dat de geleidelijke ontwikkeling wordt bevorderd: door meer politieke en culturele contacten, verbetering van de economie, een bijdrage tot verhoging van het levenspeil door opheffing van het embargo. Deze politiek hebben de Verenigde Staten en de rest van het Westen met goed resultaat jegens het Warschaupact gevoerd zonder door gewetensbezwaren te worden gehinderd. Nog meer ligt het voor de hand, zo'n gedragslijn te volgen tegenover een regime dat vrijwel tot op de laatste draad is versleten. Het blijkt zelfs dat niet alleen Brzezinski maar al jaren geleden zijn grote voorbeeld Henry Kissinger dergelijke denkbeelden heeft gehad.

Maar in tegenstelling tot in Europa wordt de Amerikaanse politiek tegenover Cuba beperkt door het taboe op het 'praten met Castro' en het dogma van een revanche. Die starheid is diep geworteld. Dat heeft zijn oorzaken in de Amerikaanse binnenlandse politiek: de zwakke positie van de president die hem niet toestaat, zo kort voor de verkiezingen nog iets controversieels te ondernemen en de bereidheid van zeer veel Amerikanen om alles wat ze als 'rood' identificeren, meer als doodsvijand te beschouwen naarmate het dichter bij huis is. De Cubanen, de vluchtelingen, de ongetelden die weg zouden gaan als ze de kans kregen, zitten gevangen tussen een dictator die van geen redelijk compromis wil weten en een president die niet in staat is, zo'n compromis tot stand te brengen.

Nadat Castro zijn tienduizenden landgenoten die zozeer genoeg van zijn regime hebben dat ze hun leven willen wagen, als politiek wapen heeft gebruikt - waaruit de exodus is ontstaan - is er nu een nieuwe 'verstandhouding' bereikt die op langere termijn niets oplost. Per jaar zullen twintigduizend Cubanen een visum voor de Verenigde Staten krijgen en de rest van de kandidaat-emigranten moet geduld hebben. Dat lijkt op een nieuw compromis maar dat is het niet. De waarschijnlijkheid van een crash in plaats van een zachte landing wordt op zo'n manier vergroot.

Hoe zou men zich zo'n crash kunnen voorstellen? Er zijn voorbeelden die daarover aanwijzingen geven. In de voormalige Oosteuropese volksdemocratiën is de snelle overgang van de commando-economie naar de vrije markt niet zonder problemen verlopen. De Polen hebben er de geringste last van ondervonden, en Brzezinski heeft gelijk: dat komt doordat het proces daar nog betrekkelijk geleidelijk is verlopen. Degenen die zich in de achterhoede bevinden, de Roemenen, zijn er nog steeds niet overheen. Alle verschillen in aanmerking genomen valt Roemenië het best met Cuba te vergelijken.

Maar er is één groot verschil. Als het bewind van Castro instort - sneller en radicaler naarmate het zich langer in zijn dictatorale vorm zal handhaven - groeit de kans op massaal geweld: de finale afrekening met de getrouwen die tot het laatst toe trouw zullen blijven, alleen al omdat ze niets te verliezen hebben. Na hun nederlaag zal het eiland, weerloos na dertig jaar van collectivisme, door de vrije markt worden overrompeld. Dat zal, om het voorzichtig te zeggen, voor menig Cubaan en menige Cubaanse geen pretje zijn.

Met al zijn omhaal is bij dit vooruitzicht Brzezinski tot nu toe een van de weinigen met invloed die tenminste enigszins zijn nek heeft uitgestoken. De rest heeft Cuba in quarantaine gezet, naar het voorbeeld dat in Bosnië, maar ernstiger omdat er zelfs geen initiatief tot een internationale bemiddeling in zicht is.