Advocaat van beschuldigde CD'er vraagt vrijspraak

AMSTERDAM, 14 SEPT. Vrijspraak en onmiddellijke invrijheidsstelling, dat vroeg gisteren de Alkmaarse advocaat J.C. de Goeij voor zijn cliënt, het voormalige Amsterdamse CD-raadslid Y. Graman. De CD'er stond voor de rechtbank van Amsterdam terecht op verdenking van brandstichting en poging tot moord. Officier van justitie J. Valente had acht jaar gevangenisstraf geëist.

Het raadslid was eind april van dit jaar aangehouden nadat in het Tros-programma Deadline beelden van hem waren vertoond die met een verborgen camera waren opgenomen. De camera was in het huis van het raadslid geïnstalleerd door journalist Bas van Hout die bij de Amsterdamse Centrum Democraten was geïnfiltreerd. Graman zei voor de camera dat hij betrokken was bij een aantal aanslagen op buitenlanders.

Onder meer bevatte zijn 'bekentenis' de zin: “Ik zag de negers brandend in de gracht springen.” Daarbij doelde het raadslid op een brand in een opvangcentrum voor Antilliaanse en Surinaamse drugsgebruikers aan de Amsterdamse Lijnbaansgracht in 1977.

Wanneer journalistieke infiltratie gemeengoed wordt, betoogde de advocaat, dreigt de journalistiek het ongecontroleerde verlengstuk van justitie te worden. Daarom deed De Goeij aangifte van overtreding van artikel 139 F Wetboek van Strafrecht: “Hij die, gebruikmakende van een door list of een kunstgreep daartoe geschapen gelegenheid, van een in een woning of een niet voor het publiek toegankelijk lokaal aanwezige personen met een technisch hulpmiddel opzettelijk een afbeelding vervaardigt waardoor diens rechtmatig belang kan worden geschaad.” Omdat Van Hout het grondrecht op eerbiediging van het privé-leven van zijn cliënt had geschonden, bepleitte De Goeij niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie c.q. vrijspraak. Justitie slaat volgens De Goeij een heilloze weg in wanneer zij de vruchten plukt van dit soort under cover technieken.

Het is verder nog maar de vraag, aldus de advocaat, of het raadslid niet zijn fantasie de vrije teugel had gegeven toen hij over zijn betrokkenheid bij de brandstichting vertelde. Daarbij wees de raadsman op de ruim tweehonderd pagina's memoires van het raadslid. Hij citeerde een passage over de bewuste brand: “Laatst kwam ik iemand tegen die met eigen ogen had gezien dat... ook een negerhol op de Lijnbaansgracht in vlammen op ging en een groep negers als brandende fakkels in de gracht sprongen.”

Het raadslid had aanvankelijk voor de politie zijn betrokkenheid bij de brand erkend, maar dat was, volgens De Goeij, omdat hij zich “klem gezet voelde door de bandopnames”.

Uitspraak over twee weken.