Vonnis in gedroomde fraudezaak

In mijn droom ben ik een jong officier van justitie. Ik ben afkomstig uit het bedrijfsleven en speciaal aangetrokken voor de behandeling van fraudezaken. Ik heb mij op mijn nieuwe functie goed voorbereid. Alle richtlijnen van het OM heb ik bestudeerd, en ook heb ik ademloos kennisgenomen van het rapport van de commissie-Donner. Intussen heb ik mijn eerste strafzitting gedaan, een grote fraudezaak, waarvan de behandeling de hele dag duurde. Mijn nieuwe loopbaan stelt mij voor grote vragen. De commissie-Donner heeft 39 stellingen (aanbevelingen) aangeslagen aan de poort van het ministerie van justitie. Vele van die stellingen slaan de spijker op de kop, maar de vraag is of de spijker op de goede plaats zit. Aanbeveling 4 bijvoorbeeld zegt, dat de leiding van het OM niet meer moet worden uitgeoefend door de 5 procureurs-generaal bij de gerechtshoven, maar door een college van drie à vier leden van het OM onder leiding van een in functie benoemde voorzitter, die een sterk koppel vormt met de minister van justitie. Ter vergadering van de Nederlandse Juristen Vereniging gehouden te Leeuwarden op 10 juni 1994 heb ik de Haagse procureur-generaal mevrouw mr. W. Sorgdrager, daarin gesteund door haar Leeuwardense collega mr. D. W. Steenhuis, horen betogen, dat zij deze aanbeveling niet onderschrijft. Ik moet daarom aannemen, dat mijn hoogste bazen, de vijf procureurs-generaal, aanbeveling 4 afwijzen. Echter: de Haagse politiek heeft het rapport-Donner - en dus ook aanbeveling 4 - omarmd en toegejuicht. Ik zou nu zo graag kennis willen nemen van de dialogue inté reur van de oud-PG/minister Sorgdrager. De commissie-Donner en de Tweede Kamer willen de leiding van het OM uit handen van de PG-vergadering genomen zien; de PG's zelf vinden - kort samengevat - dat de door Donner bedoelde hoogste leiding rustig aan hen kan worden overgelaten. Ik wacht in spanning af.

In het bedrijfsleven geloven wij in een 'platte' organisatie-structuur, bestaande uit drie lagen. Dat wil zeggen: een bovenlaag, de leiding, die beleid maakt en beslissingen neemt, een middenlaag, die het beleid en de beslissingen van de leiding uitvoert, en ten slotte het 'veld', waar de beslissingen en het beleid zichtbaar worden in de verwezenlijking van de doelstellingen van de organisatie. Het OM heeft echter vier bestuurslagen, te weten: de minister, de PG-vergadering, de hoofd-officieren van justitie, en het 'veld' (de arrondissementsofficieren). Eén te veel dus. Omdat ons rechtssysteem arrondissementsgewijs is georganiseerd, is het logisch, dat de PG-vergadering als bestuurslaag moet verdwijnen. Als de nieuwe structuur wordt ingevoerd ontstaat een toe te juichen duidelijkheid, waarin bijvoorbeeld competentie-vragen tussen PG en hoofdofficier niet meer zullen kunnen rijzen. Maar dan zijn we er nog niet. In zo'n platte structuur is weliswaar een helder OM-beleid te formuleren, maar hoe krijg ik nu, als officier van justitie, de rechter zover, dat hij dit beleid wil volgen. Er is natuurlijk veel OM-beleid waar de rechter niets mee te maken heeft (sepots en transacties bijvoorbeeld), maar als ik besluit een zaak aan de rechter voor te leggen dan moet hij het OM-beleid toch willen aanvaarden als een gegeven waar hij eigenlijk niet omheen kan.

Na de uitspraak in die grote fraudezaak had ik een lang gesprek met de oude vice-president die de strafkamer had voorgezeten. De straf was veel hoger uitgevallen dan ik had geëist. Toch was mijn eis volledig gebaseerd op de richtlijnen van het OM en er waren naar mijn beste weten geen omstandigheden gebleken, die een afwijking van de richtlijn konden rechtvaardigen. Ik vroeg de voorzitter waarom de strafkamer van dat beleid was afgeweken. Het was toch met grote zorg en deskundigheid geformuleerd en aan iedereen, ook aan de rechters, bekendgemaakt, betoogde ik.

De rechter antwoordde: “De strafrechter heeft behoefte aan een requisitoir, waaruit hij de overtuiging kan putten, dat de hoogte van de eis, voor zover gekoppeld aan de ernst van het misdrijf, wordt gedragen door de rechtsgemeenschap. De uitkomsten van beraadslagingen in de PG-vergadering voldoen niet aan dat criterium, en zo rest de rechtbank niet veel anders dan eigen straftoemetings-normen te hanteren.” “Maar” zo wierp ik tegen “als het OM-beleid dan zo weinig invloed heeft, zouden de rechters dan niet zèlf in onderling beraad afspraken over straftoemeting moeten maken?” “Zeker” antwoordde de rechter “we plegen als rechters wel onderling overleg, maar de zittende magistratuur is nu eenmaal niet zo gestructureerd, dat rechters elkaar aan dit soort afspraken kunnen binden.” “Hoe ziet u dan de oplossing?” vroeg ik. De rechter staarde in de verte alsof hij buiten-zintuigelijk contact zocht met minster Sorgdrager, en hij sprak: “De oplossing is, dat het OM-beleid moet worden vastgelegd in notities, die door de hoogste leiding van het OM worden vastgesteld, nadat daarover telkens advies is ingewonnen van een breed samengestelde adviesgroep, bestaande uit twee rechters, twee officieren van justitie, twee advocaten en twee strafrechtwetenschappers, onder leiding van een neutrale en zéér hoog gekwalificeerde voorzitter. Die notities behoren ter goedkeuring aan het parlement te worden aangeboden, en vervolgens in de Staatscourant te worden gepubliceerd. Dan is het OM-beleid overheidsbeleid geworden, en dan is het daarmee voor de rechter zó geloofwaardig, dat hij het niet anders dan marginaal zal mogen toetsen, zoals de rechter alle overheidsbeleid niet anders dan marginaal mag toetsen.” De rechter zweeg en ik verliet de kamer. Ik wist het niet meer. Ik kon niet zo gauw verzinnen waar de fout zat in de redenering van de rechter, maar mijn hoofd-officier had mij heel andere dingen verteld. “Een jong officier heeft het niet gemakkelijk”, dacht ik na mijn ontwaken.