Sofia bezorgd over groeiende kloof tussen regering en strijdkrachten; Bulgaars leger voelt zich onbegrepen

De waarschuwing van de Bulgaarse premier, Ljoeben Berov, over het gevaar van een militaire machtsgreep in Bulgarije, gisteren in een vraaggesprek met het blad 168 Tsjasa, is een illustratie van de brede kloof tussen de leiding van de strijdkrachten en de regering.

Het gaat de Bulgaarse strijdkrachten niet goed. Het uiteenvallen van het Warschaupact heeft hen beroofd van bondgenoten en leveranciers en heeft hen gedwongen een nieuwe militaire doctrine uit te werken - met in de buurt een volwassen oorlog in Bosnië, direct aan de westgrens het Macedonische kruitvat en in eigen land het gevaar van een sociale explosie, etnische tegenstellingen en de nu al vier jaar durende felle polarisatie in de Bulgaarse politiek. De opeenvolgende Bulgaarse regeringen hebben drastisch moeten bezuinigen en daarbij de strijdkrachten niet ontzien: de defensie-begroting van dit jaar bedraagt 12,9 miljard leva (230 miljoen dollar), een magere 2,75 procent van het Bruto Nationaal Produkt. Dat betekent dat maar een klein deel van de militaire uitrusting kan worden gemoderniseerd, hoewel die modernisering dringend nodig is. Volgens minister van defensie Valentin Aleksandrov is twintig tot dertig procent van het materiaal van het leger onbruikbaar. Veel vliegtuigen van de luchtmacht staan bij gebrek aan onderdelen aan de grond en militaire piloten mogen om financiële redenen slechts dertig tot vijftig uur per jaar vliegen. De defensie-industrie, vroeger een bron van inkomsten, is door het uitblijven van bestellingen van de eigen strijdkrachten en door restricties op de wapenexport in een diepe crisis gestort.

Ook de politieke richting van Bulgarije is niet onomstreden. Bulgarije was een van de eerste Oosteuropese landen die instemden met het NAVO-programma Partnership for Peace en Sofia heeft geen geheim gemaakt van het verlangen, liever vandaag dan morgen lid van de NAVO te worden. Binnen de Bulgaarse strijdkrachten is de scepsis over dat voornemen echter groter dan binnen de politiek.

Daarbij komt, dat het leger, na onder het socialisme 28 jaar te zijn geleid door één en dezelfde minister (tevens generaal), na de omwenteling van 1989 is geleid door burger-ministers van defensie, een ontwikkeling die met veel wrijving gepaard is gegaan: de legerleiding voelt zich al heel lang slecht begrepen. De burgerministers willen dringend iets doen aan structurele hervormingen in het leger en aan een uit de tijd van het socialisme geërfd probleem: het Bulgaarse leger telt 49.000 officieren en onderofficieren op 50.000 manschappen, een absurde verhouding, die alleen kan worden opgelost door officieren te ontslaan.

Vooral op dat punt is minister van defensie Aleksandrov de aanvankelijke steun van het leger kwijtgeraakt. Aleksandrov trad eind 1992 aan. De relaties tussen de regering en de defensiestaf waren toen als gevolg van het onbeholpen optreden van zijn voorganger zeer slecht. Aleksandrov wist het vertrouwen van de legerleiding te herwinnen door een aantal maatregelen van zijn voorganger ongedaan te maken. Begin dit jaar wist hij zelfs te voorkomen dat de regering slechts twaalf miljard leva voor de defensiebegroting uittrok. Maar sindsdien is het met de betrekkingen tussen de minister en de Bulgaarse stafchef, generaal Ljoeben Petrov, snel bergafwaarts gegaan.

De afgelopen jaren hebben vierduizend officieren het leger verlaten, hetgeen in militaire kringen twijfels heeft gewekt over de defensie-capaciteit van het land. In augustus werden nog eens 812 officieren met pensioen gestuurd. Stafchef Petrov protesteerde. De maatregel bracht bovendien de (ex-communistische) Bulgaarse Socialistische Partij (BSP) in het geweer. Zij noemde het ontslag “zinloos en ongefundeerd”, stelde president Zjeljoe Zjelev aansprakelijk voor de actie en eiste het aftreden van minister Aleksandrov. Zjelev reageerde met een vinnige verklaring, waarin hij de BSP-reactie afdeed als “een poging, het leger te betrekken bij een politieke strijd en bij de verkiezingscampagne, door te speculeren met de problemen van de strijdkrachten”.

Eind vorige maand gaf Aleksandrov op een persconferentie - die hij gesloten verklaarde voor stafchef Petrov - tekst en uitleg. Hij noemde de personeelsstructuur van Petrovs legerleiding “absurd” omdat tachtig procent van alle functies worden bekleed door hoge en maar twintig procent door lage officieren. Hij meldde tevens Petrov te hebben opgedragen zelf opdracht te geven tot het ontslag van driehonderd reserve-kolonels. “Doet hij dat niet, dan wordt het bevel getekend door de volgende stafchef”, zo voegde hij daar dreigend aan toe. Petrov, aldus de minister, trachtte de personele wijzigingen te saboteren om tijd te winnen, in de hoop dat de regering ten val zou komen (wat overigens vorige week is gebeurd, al heeft Petrov dat niet meer meegemaakt).

Volgens Aleksandrov bestaan de problemen van de strijdkrachten vooral uit gebrek aan geld, gebrek aan duidelijke tactische richtlijnen, “de moorden, zelfmoorden en mishandeling van recruten”, de achtduizend jongemannen die tot nu toe dit jaar niet voor hun dienstplicht zijn komen opdagen en “de 2700 officieren die functies bekleden waarvoor zij niet zijn gekwalificeerd”. Het parlement, en niet de legerleiding, bepaalt de omvang van de strijdkrachten, die zich bovendien, zo zei Aleksandrov herhaaldelijk, niet met de binnenlandse politiek moet bemoeien: “Bemoeienis met de politiek door bepaalde officieren is in strijd met de nationale veiligheid.”

Petrov schreef zijn minister vervolgens een sarcastische brief, waarin hij hem uitnodigde voor de persconferentie die hij zelf na een dienstreis naar Duitsland zou houden, maar kreeg direct na zijn terugkeer uit Duitsland op 1 september van premier Berov te horen dat zijn biezen kon pakken. “Diegenen die trachten een wig te drijven in het Bulgaarse leger en het te verdelen, begaan een ernstige misdaad”, zo fulmineerde de generaal na dat gesprek. “Het officierskorps is ernstig gealarmeerd over de huidige problemen in de samenleving en het feit dat politici en instanties, in plaats van samen te werken bij het bevorderen van een binnenlandse stabiliteit, eerder trachten het leger te vernietigen.” Een dag later bood premier Berov president Zjelev het ontslag van zijn regering aan - en ondertekende Zjelev het decreet waarmee Petrov aan de kant werd gezet.