Rapport: industrie mist kansen op energiegebied

ROTTERDAM, 13 SEPT. Als gevolg van het energiebeleid van de overheid hebben Nederlandse ondernemingen in een aantal gevallen exportkansen gemist. Door de industriepolitiek te richten op het stimuleren van ondernemingen die een rol op de wereldmarkt kunnen spelen, of hun technologische kennis kunnen exporteren, kan een belangrijke verbetering worden bereikt.

Dat blijkt uit een nog vertrouwelijke studie die het Rotterdamse adviesbureau Krekel van der Woerd Wouterse (KWW) in opdracht van het ministerie van economische zaken heeft uitgevoerd naar de bijdrage die Nederlandse toeleveringsbedrijven in de energiesector aan de nationale economie kunnen leveren.

Het energiebeleid heeft, aldus KWW, slechts in zeer beperkte mate bijgedragen aan de vorming van 'energieclusters' (samenwerking tussen energieproducerende ondernemingen en toeleveranciers), waarmee een versterking van marktposities wordt beoogd.

Door de aanwezigheid van veel energie-intensieve bedrijven in Nederland èn natuurlijke hulpbronnen (kolen, aardgas en olie) lag de prioriteit in deze sector van het industriebeleid volgens KWW altijd bij het veiligstellen van de nationale energievoorziening tegen zo laag mogelijke kosten. Veel minder werd rekening gehouden met de consequenties voor de toeleveranciers. In een aantal gevallen zijn Nederlandse bedrijven door nationale technische eisen gedwongen zich in een richting te ontwikkelen die haaks staat op de internationale markt.

KWW constateert dat het Nederlandse beleid vaak autonoom tot stand is gekomen en dat er weinig afstemming was met buitenlandse overheden. Met het oog op de openheid van de Nederlandse economie en de afhankelijkheid van export heeft de regering altijd een restrictief beleid gevoerd als het gaat om protectie of steun aan de nationale industrie. In vergelijking met andere Europese landen zijn de internationale richtlijnen voor gelijke concurrentievoorwaarden “zeer strikt” nageleefd. De vraag is, aldus het rapport, of Nederland soms niet 'roomser dan de paus' wilde zijn. KWW noemt diverse buitenlandse voorbeelden van succesvolle steunverlening aan bedrijven die op de internationale markt opereren, zoals de garantstelling door de Deense regering voor financiering van windmolenparken in de Verenigde Staten, het Duitse demonstratieprogramma voor windenergie en de verlening van concessies voor olie- en gaswinning door de Britse en Noorse regeringen.

Economische Zaken moet volgens het bureau de vorming van industriële clusters sterk stimuleren, waarbij het beleid vooral op bedrijven wordt gericht die op de internationale markt opereren maar tevens een redelijke kans hebben op een goede 'thuisbasis' op de Nederlandse markt. Een voorbeeld daarvan is de offshore-industrie, de aannemingsbedrijven die toeleveren aan de olie- en gaswinning in opdracht van oliemaatschappijen. Ook adviseert het bureau Economische Zaken te overwegen het huidige industriebeleid te concentreren op een beperkt aantal 'speerpunttechnologieën'.

De energiesector levert een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse economie. In de energie-intensieve bedrijven en de energiesector samen werken 300.000 mensen. Aan de energiesector werd in 1992 voor een totale waarde van 10 miljard gulden aan goederen en diensten toegeleverd. Daarvan namen in Nederland gevestigde ondernemingen 6,4 miljard gulden voor hun rekening, die samen 44.000 arbeidsjaren aan werkgelegenheid bieden.