Nummer 4078 Private Malcolm

Maria Dermoût (1888-1962)

De jongen, hij is net tien jaar geworden, en niet eens een feestje gehad, stormt de kamer binnen van de boerderij vlak achter de Koningsweg een eind buiten Arnhem. In zijn magere vuile handen houdt hij zijn schatten tegen zich aangeklemd, dat wat hij daarbuiten 'gevonden' heeft ergens onder de bomen in een bosje.

Een ronde platte rode muts, een brede riem met koperen haken en ogen, en een canvas tas aan een lange schouderriem.

“Kijk! Kijk toch eens oma!” zegt hij, hij is buiten adem.

De grootmoeder vraagt streng en tegelijk angstig “Waar heb je het vandaan?”

De jongen noemt een laantje nogal een eind weg, “de boer was er bij”, zegt hij verontschuldigend.

“Is - was - was hij al begraven?” vraagt de grootmoeder.

De jongen krijgt een kleur “nee, maar, de boer zegt dat hij vandaag nog, of anders vannacht, stilletjes”, en dan, “Oma”, zegt hij maar dan niets meer, en trekt met zijn mond alsof hij zal gaan huilen.

En dan kijkt hij weer naar zijn schatten, en zo van opzij naar de grootmoeder. “Mag ik het aanpassen?”

De riem is veel te wijd en valt meteen neer op de grond, het mutsje, 'echte Montgomerymuts', zegt hij kort afgebeten, de muts past hem goed, hij heeft een groot hoofd. Hij trekt hem wat schuiner op één oor zoals het hoort. Het is alsof hij ineens volwassen is, een man, piepjong wel, maar toch - De tas hangt veel te laag af van zijn schouders, na een tijd neemt hij hem in de hand. “De boer heeft er alles uitgehaald”, zegt hij een beetje spijtig en dan wijst hij, “zijn naam staat er op oma.”

Op het canvas is met zwarte inkt geschreven een nummer, 4078, en dan Private Malcolm.

In de kleine houten boerenkamer, de deuren naar buiten wijdopen en vlak daarvoor de hoge druilerige bomen in hun laatste groen staat de jongen bij de tafel met zijn rood mutsje op en de tas in de hand.

De grootmoeder denkt, moet ik hem niet zeggen dat hij niet zo mag spelen met dat alles dat van die dode jongens hoort, daarbuiten?

Spelen? Is het spelen?

Hij staat zo gespannen.

Zijn gezicht is zo rood, alsof er in hem iets brandt en de vlammen hem uitslaan, zeggen wij dat niet zo?

Een wereld, een wereld die hij niet kende, waar hij zelfs niet een klein vermoeden van had is voor hem in die paar dagen opengegaan, en hij staat brandend van opwinding en verwarring, van bittere ellende en diepe bewondering er naar te kijken.

Krijgers! Zo zijn krijgers! Omgord ten strijde met hun wijde broeken en vesten en jassen, en brede riemen waar van alles aan hangt, gelaarsd, gehelmd. Zij hebben ook kleine mutsen, rode mutsen, een gevleugeld paard waar een man op zit met een lange speer staat op hun mouwen geborduurd in groen en rood.

En hun wapens!

De jongen weet precies al hun wapens.

Er zijn vliegtuigen, kleine, grote, heel grote zweefvliegtuigen, en de mannen hangen aan witte blinkende parachutes in de lucht. En aan bonte gekleurde oranje en rood en vooral veel lichtblauwe hangen de dingen die zij nodig hebben.

Het kabaal! Het razend geronk van motoren, het knetteren van mitrailleurs, gefluit van granaten, het knallen van mijnen, van handgranaten, doffe slagen in de aarde.

Het harde afknappen van takken van bomen.

Het vuur, overal vuur. Hij heeft nooit zoveel vuur gezien. Een stad brandend in de nacht, een kerktoren in vlammen die brandend omgaat.

En de krijgers daartussen rijden, lopen, liggen, staan, vechten en sterven, schreeuwende, zwijgende. Sterven? Worden gedood.

De een heeft kleine tanks, de ander grote tanks.

De een heeft licht geschut, de ander zwaar, zwaar geschut.

Over twee dagen komt Montgomery.

Montgomery komt niet.

Altijd en alleen Montgomery - Monty.

En nu liggen zij neergetuimeld op de grond en blijven daar liggen, hun wapens en kleren en vivres om hen heen gestrooid, in de kleine bosjes achter de Koningsweg en hier en daar en overal, en de eerste dagen is er niemand om hen te begraven.

“Private, wat betekent dat Private?” vraagt de jongen, hij zegt het langzaam met zijn vinger erbij, letter voor letter, met een lange ie, het is een vreemd woord voor hem.

“Soldaat”, zegt de grootmoeder, “niet een korporaal of een sergeant, vroeger zeiden wij gemeen soldaat, daar werd niets lelijks mee bedoeld, gemeen is gewoon, zonder rang. De soldaat Malcolm, de naam klinkt Schots, misschien was hij een Schot?”

“Ja”, zegt de jongen, “no. vier nul zeven acht, de Schotse soldaat Malcolm”, langzaam hardop alsof hij hem afroept.

“Ssst!” waarschuwt de grootmoeder verschrikt.

In de stilte, de stilte in de kamer, de stilte daarbuiten, de donkere stilte bij de open deur onder de neerhangende takken van de grote natte bomen, is daar iets? Iets? Iets dat er eerst niet was?

Nee, niet iets, niet iemand - er is toch niets, er is toch niemand.

De oude vrouw weet, hoe kan zij het weten? Zij weet en waarom doet het zo'n pijn het te weten, en, en, hoe komt zij er bij, hoe kan zij het weten, toen hij leefde, was hij donker, donker haar, donkere diep inliggende ogen, wat in zichzelf gekeerd, stil oplettend -

Zo is hij nu ook, donker, een beetje koud en veraf, stilzwijgende. Langs en als door hem heen zijn de bomen daarbuiten, de herfst en dat de slag om Arnhem verloren is, op de weg rijden Duitse munitiewagens kletterend voorbij en open karren met vluchtelingen, iemand roept wat en iemand roept wat terug.

En heel het hevig gebeuren van die dagen, het rumoer, het vuur, de verbeten dapperheid en angst en pijn, de gewelddadige dood, de nederlaag, het vergeten en open blijven liggen en vergaan, regen en wind, deze oorlog, de hele wereld vervuld van leed, dát, dat alles is in hem verstild, vervluchtigd, verleden en voorbij, en alsof het er al niet meer zo erg op aankomt.

Maar als dit er niet op aankomt?

Wat komt er dan wel op aan!

Binnen in de kamer staat de jongen bij de tafel en die daarbuiten ziet, of zien, merkt, moet wel merken hoe de jongen zijn muts op heeft en zijn tas draagt.

Zou hij het begrijpen?

Zou hij het wel goed vinden denkt de oude vrouw ineens angstig, zij houdt van deze kleinzoon en wil niet hebben dat hij iets doet wat de ander niet goed zou vinden.

Maar de Schotse soldaat Malcolm nummer vier nul zeven acht, vindt niet meer goed, of niet goed.

Hij is te ver weg al.

Hij is ook niet meer daar. Het is leeg en verlaten op het boerenerf onder de hoge donkere bomen en het begint weer te regenen.

De grootmoeder neemt de jongen de rode muts van het hoofd, doet hem de tas af, bukt naar de riem op de grond en vouwt alles samen.

“Ga het maar gauw verstoppen”, zegt zij, “er komen telkens Duitsers in huis, dat ze het niet vinden!”

De jongen van tien ben ik.

Mijn grootmoeder, de schrijfster Maria Dermoût, heeft dit verhaal, dat nooit eerder gepubliceerd werd, geschreven in de laatste maanden van de Tweede Wereldoorlog, toen ze, geëvacueerd uit Arnhem, onderdak had gevonden bij familie in Hilversum.

Mijn grootouders, mijn ouders, mijn zusje en ik moesten op 25 september 1944 ons huis in Arnhem verlaten. De Duitse militaire autoriteiten hadden bevolen de stad in drie dagen te ontruimen. 25 september was de laatste dag waarop het noordelijke deel van de stad waar wij woonden moest zijn verlaten.

Wij gingen naar Schaarsbergen waar we onderdak vonden in een grote boerderij, annex vakantiekolonie, genaamd Grijsoord.

Mijn grootmoeder maakte de tocht in een oude kinderwagen, die door mijn vader en mijn grootvader op de fiets werd voortgetrokken, zij kon niet fietsen. Onderweg op een steile helling van de Amsterdamse weg verloren mijn vader en mijn grootvader de controle over de kinderwagen waardoor deze met enige vaart in het bos verdween tussen de afgeschoten takken en het débris van de oorlog. Mijn grootmoeder bleef ongedeerd.

De boerderij waar we verbleven lag dicht bij de Koningsweg in het bos, eigenlijk op loopafstand van Arnhem en Oosterbeek. Om aan voldoende voedsel te komen voor de steeds talrijker evacués in de boerderij werden vrouwen en kinderen uitgestuurd om te fourageren.

Langs de Koningsweg, de Amsterdamse weg en op de Johanna hoeve lagen overal verspreid de voorraden van de verslagen Engelse en Poolse troepen. De lichamen van de gesneuvelde soldaten lagen onbegraven tussen hun uitrusting. Overal lagen grote rieten manden en stalen containers die aan parachutes waren afgeworpen. Soms zat daar voedsel in, blikken met ons onbekende spijzen met exotische namen zoals Vienna sausages, meestal vonden we flessen met bloedplasma of stalen trommels met handgranaten. Bij verlaten huizen namen we konijnen uit hokken en weckflessen uit de kelder. Af en toe moesten we in een greppel duiken om dekking te zoeken voor granaten die fluitend uit de Betuwe kwamen, meestal was het doodstil. De Duitse soldaten die we tegenkwamen joegen ons meestal bars weg maar ze deden ons geen kwaad, ook niet als we ze beladen met gevonden uitrustingsstukken en geroofde etenswaren tegenkwamen.

Voor mij was de wereld in enkele dagen voorgoed veranderd, de jongen van elf in het veilige geborgen gezin in de gezellige provinciestad ben ik nooit geworden. Dat heeft mijn grootmoeder heel goed gezien.