Niet Becht, maar NAi-bestuur voor klein drama verantwoordelijk

De benoeming van Frits Becht tot directeur van het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) heeft voor een unicum gezorgd: nog voor hij op 15 oktober officieel aantreedt, heeft Becht zich al teruggetrokken. Het is een moeilijk te overtreffen record. Roel in't Veld heeft tenminste nog heel kort als staatssecretaris gefungeerd, maar Becht zal nu door het leven gaan als degene die ruim een maand níet de officiële directeur van het NAi is geweest.

Als reden voor zijn terugtrekking heeft Becht de onzekere financiële toekomst van het Nederlands Architectuurinstituut gegeven. Dit argument is al even vreemd als zijn plotselinge terugtrekking, want juist de combinatie van de onzekere toekomst en de aan Becht toegeschreven gaven om het instituut sponsors te bezorgen was een van de belangrijkste redenen om Becht te benoemen.

Becht lijkt te gretig te zijn ingegaan op het onverwachte aanbod van het bestuur van het NAi en wist eigenlijk niet waar hij aan begon. Nu hem duidelijk is geworden wat het Nederlands Architectuurinstituut, dat nadrukkelijk als instituut en niet alleen als museum is bedoeld, precies inhoudt, trekt hij zich terug. Toch is niet Becht, maar het bestuur van het NAi is verantwoordelijk voor dit kleine drama dat veel schade toebrengt aan de reputatie van het Instituut. Nog afgezien van de vraag of Becht gezien zijn eerdere financieel ruïneuze voorzitterschappen van het Holland Festival en Openbaar Kunstbezit wel de juiste figuur was om het NAi aan geld te helpen, heeft het bestuur met zijn benoeming ongeveer alles fout gedaan wat het fout kon doen.

In de eerste plaats heeft de selectiecommissie, bestaande uit de bestuursleden Francine Houben, Riek Bakker, Benno Premsela en Jhr. drs. P.A.C. Beelaerts van Blokland, met Bechts benoeming de door henzelf opgestelde functie-eisen genegeerd. 'Gezaghebbend in het vakgebied' moest de nieuwe directeur zijn, en dat is iets waaraan Becht, die zelf bekende niets van architectuur te weten, nadrukkelijk niet voldeed. Volgens het bestuur had Becht blijk gegeven van 'een juist gevoel voor inhoudelijke kwaliteit en publiekstentoonstellingen'. Wat het bestuur precies voor ogen stond, is onduidelijk, maar waarschijnlijk verwachtte het van de nieuwe directeur, die vooral bekend is als organisator van beeldende-kunstmanifestaties, tentoonstellingen die minder met architectuur hadden te maken en zo wellicht meer publiek zouden trekken.

Ten tweede heeft het bestuur met Bechts benoeming de vertrouwenscommissie van het NAi, die zich unaniem had uitgesproken voor de Groningse hoogleraar Ed Taverne, gepasseerd. Het voorspelbare resultaat was onrust onder de NAi-medewerkers, die ten slotte uitmondde in een heuse vertrouwenscrisis tussen het personeel enerzijds en het bestuur en de nieuwe directeur anderzijds. Met het vertrek van Becht is deze vertrouwenscrisis nog niet opgelost: het bestuur is en blijft ten slotte de verantwoordelijk voor de bizarre gang van zaken.