Nationalisme domineert Spaanse politiek

MADRID, 13 SEPT. Het opmerkelijke zelfvertrouwen van de Spaanse premier Felipe González ten spijt bevindt zijn minderheidskabinet zich door de aanhoudende corruptieschandalen nog altijd in een penibele positie. Vooral de nationalistische partijen in de Spaanse regio's profiteren daarvan. Sinds de landelijk verkiezingen van vorig jaar wordt de minderheidsregering op de been gehouden door de gedoogsteun van de Catalaanse en Baskische nationalisten. Die steun eist zijn tol in de vorm van een grotere onafhankelijkheid voor de Spaanse regio's in het algemeen en Catalonië en Baskenland in het bijzonder. Veel Spanjaarden vrezen dat de natie in onomkeerbaar proces van ontbinding terecht komt.

Volksvijand nummer een voor zowel de rechtse oppositiepartij Partido Popular (PP) als voor de linkse oppositiecombinatie Izquierda Unida (IU) is de Catalaanse leider Jordi Pujol, president van de Catalaanse deelregering in Barcelona, president van de Catalaanse nationalistische partij en president van de Catalaanse partijcombinatie CiU. Hoewel geen lid van de nationale regering - zelfs geen lid van de Spaanse volksvertegenwoordiging - weet Pujol zich in het centrum van de macht.

Zo legde de Spaanse minister Solbes deze zomer met de nieuwe begrotingsvoorstellen eerst aan Pujol ter goedkeuring voor. Dat bewees in de ogen van de oppositie eens te meer dat Spanje eigenlijk “vanuit Barcelona wordt bestuurd”. Het afgelopen weekeinde sloot de regering een akkoord met de Catalanen over de verdeling van de Europese subsidies aan Spanje tussen de Spaanse deelstaten. Gelegenheid te over om de tegenstellingen tussen Catalonië en de rest van Spanje hoog te laten oplopen. IU-leider Julio Anguita heeft Pujol al met Franco vergeleken, overigens nadat Catalaanse politici Anguita “de laatste stalinist” hadden genoemd.

De Catalaanse nationalisten presenteren zich steeds vaker als een verdrukte minderheid die zich aangevallen weet door de buitenwereld. Of het nu verwijten zijn over de taalzuiveringen in het Catalaanse onderwijs, over de slordige aanpak van de veelvuldige bosbranden of de Catalaanse dreigementen om het voortbestaan van de Spaanse staat op scherp zetten, het verweer van Pujol is altijd voorspelbaar. Kritiek op zijn beleid is kritiek op de Catalanen, laat de vaak als “gematigd-nationalistische” omschreven leider dan weten. Diens partij riep alle inwoners van Catalonië dan ook op om de Diada, het nationale feest van Catalonië mee te doen aan demonstraties “tegen de systematische aanvallen op Catalonië”. Tot ongeregeldheden kwam het overigens niet.

Maar voor Pujol zit de vijand overal. Vorige week was Antonio Gala het. De gevierde schrijver en dramaturg had het gewaagd om de culturele subsidiepolitiek van de Catalaanse regering in twijfel te trekken. Toneel in het Castilliaans (Spaans) wordt door de Catalaanse deelregering gediscrimineerd, vindt Gala. “Ze luisteren met grotere belangstelling naar een Pools toneelstuk dat in het Pools wordt opgevoerd dan naar een Castilliaans werk in het Castilliaans”, zo merkte Gala op tijdens een publiek optreden.

Pujol houdt niet van zulke grapjes. “Gala heeft Catalonië beledigd en belachelijk gemaakt”, zei hij. “Iemand met zijn morele autoriteit heeft niet het recht de waarheid te verdraaien.” Daags na de presidentiële oorvijg verklaarde een van de belangrijkste theaters in Barcelona evenwel af te zien van het uitvoeren van Gala's werken. Exit Gala in Catalonië.

In anti-nationalistische kring in Spanje is al gewaarschuwd voor het vereenzelvigen van de politiek van de Catalaanse nationalisten met de belangen van de regio. “Noch Pujol, noch diens partij zijn Catalonië”, schreef het dagblad El Mundo. Pujol heeft bij de laatste regioverkiezingen weliswaar meer dan de helft van de stemmen weten te verzamelen, maar bij een zeer lager opkomst: bijna de helft van de kiezers - een getal dat opmerkelijk genoeg overeenkomt met het aantal Spaans sprekenden in de regio - bleef thuis.

De kwestie van het nationalisme in Spanje neemt een steeds prominentere plaats in op de politieke agenda. Naast de Catalaanse nationalisten zijn er de Baskische nationalisten onder leiding van Xabier Arzalluz die in coalitie met de socialisten Baskenland regeren. Het meer racistisch Baskische nationalisme - men gaat er prat op een eigen ras te vormen, met 'eigen genen' en 'eigen bloedkenmerken' - kent zijn geweldadige variant in de vorm van de Baskische afscheidingsbeweging ETA.

Na de wapenstilstand van de IRA, twee weken geleden in Noord-Ierland, is de ETA de laatste Europese beweging die met bloedige terreuraanslagen zijn eisen (een “onafhankelijk en socialistisch Baskenland”) kracht bij zet. De regering in Madrid onderstreepte de afgelopen weken nog eens dat rechtstreekse onderhandelingen met de ETA uitgesloten zijn. Niettemin lag het kabinet González zwaar onder vuur vanwege het beleid van strafvermindering voor gevangen ETA-leden die bereid zijn het geweld af te zweren. De socialisten menen voorts dat ze met de Baskische nationalist Arzalluz een politieke buffer hebben die langzaam maar zeker de ETA-aanhang naar zich toe weet te trekken.

González verdedigt samenwerking met de nationalisten als middel om de rechtse Partido Popular “af te remmen”. Maar steeds vaker wordt de vraag gesteld of de sociaal-democraten zich niet in de armen hebben geworpen van partijen die aanmerkelijk bedenkelijker uitgangspunten hebben dan de rechtse oppositie. Die steun van de nationalisten is meer dan ooit nodig, gezien de sombere opiniepeilingen voor de PSOE (minder dan 30 procent, tegen 41 voor de PP).

González gokt dat het aantrekken van de economie - onder meer als gevolg van de spectaculair gunstige toeristenzomer - de verloren stemmen terug zal winnen. Maar de tijd dringt. In Baskenland zullen de socialisten in oktober weer een gevoelige nederlaag lijden. De grote klap wordt volgend jaar mei verwacht, wanneer een aantal andere regio's naar de stembus gaan en de gemeenteraadsverkiezingen worden gehouden. Naar verwachting zullen de socialisten in vrijwel overal verliezen ten opzichte van de conservatieve PP.