Mestberekenaars

Met de groei van het mestprobleem heeft Nederland in de loop der jaren meer mestberekenaars gekregen. In alle hoeken van het land zijn specialisten die de meest uiteenlopende berekeningen over mest maken. Zulke berekeningen zijn een veelgevraagd artikel. Boeren worden voor het hoofd gestoten als iemand durft te beweren dat door vermindering van het aantal varkens en kippen het mestprobleem kan worden opgelost. Daarom is er geen veestapelbeleid, maar een mestbeleid, en zoeken landelijke, provinciale en plaatselijke instanties naar cijfers die hun zicht op de mest lijken te ondersteunen.

Jarenlang zijn de 'mestologen' van onder andere het Centraal Bureau voor de Statistiek, de Unie van Waterschappen, het Landbouw Economisch Instituut, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne en de Stichting Landelijke Mestbank, tot uitkomsten gekomen die evenveel uiteenliepen als de aard van de instellingen waarvoor zij werkten. Het had tot gevolg dat het ministerie van landbouw aannam dat per vleesvarken jaarlijks mest met 7,4 kilo fosfaat werd geproduceerd en dat een mestspecialist die door een lagere overheid was ingeschakeld kon uitgaan van 4,8 kilo fosfaat, een van de belangrijkste milieu-onvriendelijke mineralen in de mest. Met 14 miljoen varkens in Nederland is dat verschil gelijk aan de verwerkingscapaciteit van acht grote mestfabrieken.

Het was geen gebrek aan rekenkunde dat de mestdeskundigen tot zulke uiteenlopende resultaten bracht. Ze hadden slechts allemaal andere veronderstellingen over zaken als de hoeveelheid voer die een varken jaarlijks eet en het aantal grammen fosfaat dat in een kilo veevoer zit. Het Informatie en Kennis Centrum van het ministerie van landbouw bracht begin 1992 de belangrijkste mestdeskundigen van het land bij elkaar om een einde te maken aan de chaos. Meer dan twee jaar praten volgde er eer men het over één deel van een nationale mestberekening eens was. Al die tijd ging niet verloren met het maken van berekeningen, maar met eindeloze discussies over uitgangspunten. De 'mestologen' spraken over de noodzaak van het bereiken van consensus en over een zo groot mogelijk draagvlak voor een mestberekening, omdat de uiteenlopende cijfers aan geloofwaardigheid begonnen te verliezen.

De mestspecialisten zijn het eens geworden over de hoeveelheid fosfaat die een dier gemiddeld produceert. Dat fosfaat is bij een varken minder dan het ministerie van landbouw tot voor kort aannam en bij pluimvee meer. Over het aantal kilo's fosfaat dat gemiddeld in een ton mest zit wordt nog hevig gedebatteerd. Er is onder andere verschil tussen fosfaat in dikke mest en in dunne mest. Dit is belangrijk, omdat een boer toestemming heeft om per oppervlakte grond een bepaalde hoeveelheid fosfaat in mest uit te strooien. Hoe minder fosfaat er in een kubieke meter mest zit, hoe meer mest de boer dus mag uitrijden. Behalve dat de boer mest uitrijdt kan hij ook mest verkopen. Wat over is heet het mestoverschot, dat alleen kan verdwijnen als dieren minder mineraalhoudende mest produceren of boeren minder dieren houden.

Het speuren van mestdeskundigen naar gemiddelde fosfaatprodukties en gemiddelde hoeveelheden fosfaat per ton mest, brengt de mestbelt nog niet terug tot een omvang die voor het milieu aanvaardbaar is. Met behulp van algemeen aanvaarde gemiddelden kan tot nu toe slechts vastgesteld worden hoeveel meer mest boeren produceren dan zij kunnen afzetten. Wellicht worden boeren ooit gedwongen niet meer mest te produceren dan zij kunnen afzetten. Dat betekent dan dat na vele jaren mestdebatten eindelijk aanpak van de veestapel onvermijdelijk wordt gevonden. Om eventuele inkrimping van veestapels op rechtvaardige wijze te realiseren wordt de komende vijf jaar een mineralenboekhouding ingevoerd. Degene wiens varkens weinig fosfaat produceren zou meer dieren kunnen houden dan degene die meer fosfaat uitwerpende varkens fokt.

Maar dankzij de 'mestologie' is het vraagstuk van de omvang van de veestapel voorlopig niet aan de orde. Varkensfokkers moeten volgend jaar hun mestoverschot met twintig procent verminderen. Zonder een varken af te schaffen hebben ze hun mest echter nu al met dat percentage verminderd. De nieuwste cijfers van de mestberekenaars tonen een bijna twintig procent kleiner mestoverschot dan wat tot voor kort gold. Geen mestdeskundige staat toe dat verondersteld wordt dat in dit geval mest moedwillig weggecijferd is. Maar in ieder geval heeft het zoeken naar consensus over mestberekeningen voor de varkensfokkers meer resultaat gehad dan pogingen om een deel van de Nederlandse mest naar elders te verplaatsen. De varkenshouders zijn dankzij de deskundigen 19 procent van hun mest kwijt. Een plan om mest in tankers naar India te vervoeren is gestuit op bezwaren die met geen rekenmethode te bestrijden zijn : islamitische boeren willen geen varkensmest en rundermest is er met alle heilige koeien voldoende.