Europa-politiek is wellicht een illusie

In zijn beschouwing 'Voorbij het oceanische gevoel' meent Paul Scheffer dat een herwaardering nodig is in de Nederlandse tradities die al zo lang een werkelijke Europese politiek blokkeren (NRC Handelsblad, 25 juli). Hij doelt op de Mondiale school (geloof in de internationale rechtsorde en de VN); de Atlantische school (die “in de leidende rol van de Verenigde Staten een middel zag om de machtsverschillen in Europa zo veel mogelijk te neutraliseren en om afzijdig te blijven van de hardere machtspolitiek van de landen die ons omringen”); en voorts de 'Scandinavische' school, die van het openlijke neutralisme uit de jaren tussen 1839 en 1940. Een van zijn argumenten tegen de Mondiale school is, dat wie overal bij wil horen misschien nergens bij hoort.

Wie zo redeneert laat enkele fundamentele feiten buiten beschouwing die in belangrijke mate de politieke en economische gebeurtenissen van deze eeuw hebben bepaald en nog bepalen.

In de eerste plaats zijn alle ontwikkelde markteconomieën in de wereld ten nauwste met elkaar verbonden in de wereldmarkt. Dit is maar al te duidelijk gebleken in de jaren na 1929, toen een Amerikaanse economische crisis zich in de korste keren ontwikkelde tot een wereldcrisis, waaraan pas een einde kwam door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, die overal de invoering van een streng gereguleerde oorlogseconomie nodig maakte. En na deze oorlog was een der doelstellingen van de Amerikanen met hun Marshallhulp Europa - dat dat kennelijk op eigen kracht niet kon - weer te betrekken bij de wereldmarkt. “Het doel zal moeten zijn het herstel van een functionerende wereldeconomie waarmee de politieke en sociale voorwaarden kunnen worden geschapen op basis waarvan vrije instituties kunnen bestaan”, aldus de Amerikaanse minister Marshall in de aankondiging van zijn plan in juni 1947.

Het tweede feit dat Scheffer buiten beschouwing laat, is dat sinds 1917 geen enkele poging is geslaagd om buiten de wereldmarkt om een autonome economische 'ruimte' te scheppen. Het Russische experiment om 'het socialisme in één land' te scheppen nadat de verwachte wereldrevolutie was uitgebleven, is grandioos mislukt. En de Chinese communisten proberen thans te redden wat er te redden valt door aansluiting bij de Wereldmarkt te zoeken. De pogingen van het Duitse conservatisme - in de Eerste en de Tweede Wereldoorlog - om Midden- en Oost-Europa te koloniseren in een afgesloten door Duitsland beheerste 'Grossraum' als springplank naar de 'wereldmacht', hebben dat land slechts de totale nederlaag van 1945 opgeleverd.

Ook is er een feit van militair-technische aard, indertijd door president de Gaulle gebruikt om Frankrijk van een eigen autonoom atoomwapen te voorzien, dat overal ter wereld handelend zou kunnen optreden. “Aangezien het thans mogelijk is Frankrijk van elk punt der aarde uit te vernietigen moet onze 'force' waar dan ook kunnen ageren”, aldus de Gaulle in zijn befaamde rede voor de Parijse Ecole Militaire in november 1959. Het door de Gaulle geconstateerde 'mondiale' gevaar bestaat nog steeds. Maar intussen is duidelijk dat het met nationale of regionale maatregelen niet is te keren.

Ook negeert Scheffer een produktie-technisch feit. Naast de internationalisatie van de handel is in onze tijd immers ook de internationalisatie van de produktie ontstaan. In plaats van 'Europese maatschappijen' te stichten, zoals gehoopt was, hebben de Europese concerns een belangrijk deel van hun produktie verplaatst naar goedkope gebieden buiten Europa, zodat een belangrijk deel van de Europese produktie gebonden is aan een mondiaal net van investeringen en samenwerkingscontracten.

De Franse voormalige topambtenaar, minister en EEG-Commissaris Jean François Deniau, een der Europeanen-van-het-eerste-uur, heeft de betekenis van dit verschijnsel voor de Gemeenschap onderzocht in zijn in 1977 verschenen boek L' Europe interdite. Hij concludeert dat door deze ontwikkeling de gemeenschappelijke markt niet meer voldoet als een produktie-kader. De technische basis van de gemeenschappelijke markt zou daardoor uit elkaar zijn gespat. “Het feitelijke mondiale liberalisme en de internationale arbeidsverdeling die door de grote maatschappijen is toegepast zijn, aldus Deniau, vlugger geweest dan de vooruitgang van de 'esprit européen'. Met als gevolg dat de 'Europese ruimte' een achterhaalde zaak is geworden. Als Deniau gelijk heeft, dan kon hier wel eens de diepste oorzaak van de misère der Europese politiek liggen.

Des te dringender wordt de vraag die door Scheffers artikel wordt opgeroepen: hoe Atlantisch en mondiaal de 'werkelijk Europese politiek' zal zijn die hij nodig acht maar niet nader omschrijft en in hoeverre een niet-Atlantische en niet-mondiale politiek nog wel mogelijk is met handhaving van een vrije markteconomie.