Een andere arts

HET EUTHANASIEDEBAT heeft een nieuwe, opmerkelijke draai gekregen. De afgelopen zomer werd opeens alarm geslagen over reizende euthanasie-artsen, de “engelen des doods” zoals het Tweede-Kamerlid Van der Burg (CDA) het nogal gechargeerd uitdrukte.

De hoofdinspecteur voor de volksgezondheid Verhoeff wees op de keerzijde: behandelend artsen die op grond van gewetensbezwaren de dringende bede om een milde dood van hun patiënten blokkeren - met alle kwalijke gevolgen van dien. De hoofdinspecteur wil een tuchtzaak aanhangig maken tegen een dergelijke arts die weigert een andere arts voor een van zijn patiënten te zoeken of tegen een arts die weliswaar doorverwijst maar verder informatie of overleg weigert.

Er bestaat ontegenzeggelijk een verband tussen euthanasie door een niet behandelend arts en het weigeren van de ultieme vorm van stervenshulp door de behandelend medicus. Het laatste roept het eerste op. Toch is het zaak beide verschijnselen uit elkaar te houden. Euthanasie is een gewetenskwestie - aan beide kanten. Tegenover het autonome recht van de patiënt te kiezen voor een milde dood staat een even sterk recht van een behandelaar dit in gemoede te weigeren. In het geval van abortus is dat reeds met zoveel woorden erkend in de wet. Wel dient de behandelend arts zijn bezwaar tijdig te melden. Hij of zij mag geen misbruik maken van zijn positie door tijd te rekken, zodat de gewenste hulpverlening in feite wordt geblokkeerd.

DE GEWETENSBEZWAARDE arts kan zich in elk geval niet onttrekken aan zijn algemene beroepsplicht behoorlijke informatie te verschaffen aan een collega die wèl bereid is in te gaan op het verzoek van de patiënt. Maar het valt niet te vergen dat hij of zij actief op zoek gaat naar iemand die iets doet waartegen men onoverkomelijke bezwaren heeft. Dat zou het gewetensbezwaar onaanvaardbaar uithollen. Er is echter een niet te verwaarlozen kans dat op die manier de patiënt - om wie het tenslotte allemaal is begonnen - in de kou blijft staan. De praktijk van de andere arts is “vol”, de andere arts neemt geen patiënten van collega's uit dezelfde waarnemingsgroep over, de andere arts werkt niet buiten zijn wijk (in een grote stad) of er is geen andere arts in de buurt (op het platteland). De grootste barrière is wellicht nog wel dat een andere arts opziet tegen het emotionele risico van een mogelijke strafrechtelijke procedure.

Dit zijn reële bezwaren, zodat het niet misplaatst is dat hoofdinspecteur Verhoeff spreekt van “een lacune” in de nieuwe euthanasiewet. Het is echter geen oplossing om individuele medici dan maar te dwingen over hun principiële bezwaren heen te stappen.

HET KNELPUNT IS dat de afgewezen euthanasiepatiënt vaak toch al in een afhankelijke positie verkeert, met name als het gaat om mensen in inrichtingen. Afhankelijkheid schept een aanspraak op bijstand om de juiste weg te vinden. Hier ligt een duidelijke taak voor inrichtingen of voor de medische beroepsorganisatie.

Het voorzien in een vertrouwenspersoon voor afhankelijke patiënten is iets waarmee inrichtingen - en de gezondheidszorg in het algemeen - ook buiten de klemmende vragen van leven en dood hun voordeel zouden kunnen doen.