De gewone burger staat in de kou

Zelfs het temperende effect van de inflatie heeft de staatsschuld niet kunnen verminderen. Intussen is het door dezelfde inflatie onbetaalbaar geworden je huis op te laten knappen. De staat laat het erbij zitten, vindt P. Wittebol.

Dat regeren vooruitzien inhoudt, is alle voorgaande regeringen kennelijk ontgaan. Het is onbegrijpelijk dat het nu pas iedereen duidelijk wordt dat de onverantwoordelijke 'Het kan niet op'-politiek, die is ingezet onder confessioneel-rode regeringen, er toe leidt dat degenen die werkelijk ondersteuning nodig hebben, die steun dreigen te ontberen. Ieder bedrijf dat zijn financiën zo had beheerd als de Nederlandse staat dat in de laatste decenniën heeft gedaan zou failliet zijn verklaard.

Het niet meer uitgeven dan er binnen komt, is als eenvoudige financiële vuistregel in de staatseconomie kennelijk verloren gegaan. De staat beschikt echter over middelen om zijn schuldenlast enigszins te compenseren, zij het ten laste van de burgerij. Een direct in het oog springend middel is natuurlijk de extra belastingheffing. Een andere is de voortdurende inflatie.

Zelfs een zeer matige inflatie van 2 procent jaarlijks doet de staatsschuld in tien jaar tijd met eenvijfde in waarde verminderen. Zou de huidige staatsschuld van rond de vierhonderd miljard gulden niet toenemen, dan vermindert deze in tien jaar tijd met een waarde van 80 miljard gulden. Een bedrijf dat zou worden toegestaan de waarde van zijn financiële verplichtingen in tien jaar tijd met eenvijfde te reduceren en voorts van de uitgekeerde rente de helft tot zestig procent terug te vorderen, kan eenvoudig niet kapot. De staat ziet echter kans, ondanks deze mogelijkheid, zijn schuldenlast jaarlijks met vele miljarden te vergroten.

Wat de inflatie in belangrijke mate in stand houdt, zijn de jaarlijks terugkerende loonronden. Een voor de staat voordelige situatie, waar hij zich grootmoedig buiten houdt. De helft van zo'n loonronde vloeit immers terug naar de fiscus, de ander helft gaat verloren in het inflatoire effect van zo'n loonronde. Bedrijven verrekenen eenvoudig hun hogere loonkosten in het produkt dat ze verkopen, en zo betaalt iedere burger weer meer dan vroeger. Iedereen lijkt tevreden, want de vakbondsleiders hebben een goede beurt gemaakt tegenover hun achterban. De achterban denkt, ten onrechte, dat ze erop vooruit is gegaan, en de staatsschuld is weer met 2 procent in waarde verminderd. Dat die nieuwe inflatie weer gecompenseerd moet worden met een nieuwe loonronde spreekt vanzelf. De noodzaak tot het doorbreken van deze vicieuze cirkel begint geleidelijk aan door te dringen bij sommige vakbondsleiders.

Toen ik in 1970 benoemd werd tot hoogleraar in de Heelkunde aan de Rijksuniversiteit te Utrecht bedroeg mijn bruto jaarsalaris ongeveer 80.000 gulden. De schilder rekende mij toen 12 gulden per uur. In 1988, toen ik met emeritaat ging, bedroeg mijn bruto jaarsalaris 142.000 gulden, maar de schilder kostte 55 gulden per uur. Nu moet ik voor een timmerman 70 gulden per uur betalen. Een klusje van een dag, ze komen altijd met hun beiden, kost dus ongeveer 1000 gulden. Aangezien zulke kosten niet aftrekbaar zijn, moet daarvoor 2000 gulden uit het bruto-inkomen worden gereserveerd. Dat is voor velen de helft van hun maandsalaris of pensioen. Voor een klus van een dag.

Wanneer een weduwe haar huis, dat zij gedurende haar leven samen met haar man bijeenspaarde, wil laten schilderen, dan kost haar dat 20.000 gulden. Als ze daartoe zou willen besluiten moet ze een hypotheek op haar huis nemen. Zulke lonen kunnen alleen nog maar door de overheid, de gesubsidieerde woningbouw of door multinationals worden betaald. Niet meer door de gewone burger. Ze doen dat dan ook niet, maar zoeken iemand die dat buiten de fiscus om wil doen en zonder BTW-afdracht. Hij of zij betaalt dan 15 tot 25 gulden per uur, afhankelijk van de aard van het werk.

Het mag nu geleidelijk aan gezegd worden dat het de socialistische indoctrinatie van het politieke denken is geweest die ten grondslag ligt aan de meeste problemen van deze tijd. Geen van onze vier grote politieke partijen heeft zich aan die indoctrinatie kunnen onttrekken, ondanks het feit dat geen van de vier het socialisme in zijn naam belijdt.