Alleen kunstenaars kleuren de veestapel goed

Al sinds enkele maanden worden we in de linker benedenhoek van de voorpagina van NRC Handelsblad regelmatig voorgelicht en opgevoed over het verschijnsel koe. In het stukje getiteld 'Kunstzinnig' (24 augustus) koppelde Koos van Zomeren op een nogal slordige manier schilderkunst en veeteelt aan elkaar. Om de koe bij de horens te vatten:

Van Zomeren acht het hoogst onwaarschijnlijk dat de grote variëteit in kleuren die het vee op de doeken van de oude meesters vertoont (zijn voorbeelden betreffen Cornelis Saftleven en Albert Cuyp), ook echt zo bestaan heeft. Het bewijs meent hij te vinden in het massaal sterven van vee door de grote veepestepidemieën in de achttiende eeuw en de daaropvolgende hernieuwde invoer van runderen uit Jutland (zwartbont) en Westfalen (roodbont). Maar deze aanvoerroutes waren niet nieuw en de runderen uit die streken hier allang in gebruik. Sinds eeuwen werd mager vee uit alle ons omringende landen naar 'Nederland' gebracht, om hier, op de vruchtbare deltagronden, vet geweid te worden. Sommige dieren werden door de boeren gehouden, andere aan het eind van het seizoen geslacht. Van een eigen ras kun je dan niet spreken, hoogstens van een natuurlijk ras. Bovendien leefden en werkten Cornelis Saftleven en Albert Cuyp in de zeventiende eeuw, de genoemde veepestgolven heersten in de achttiende eeuw.

Al vanaf de Middeleeuwen zijn er beschrijvingen van het vee in de Nederlanden. De oudst bekende dateert uit 1344, zij hoort bij een gerechtelijke boedelveiling. Er komen 35 zwarte runderen in voor, twaalf zwarte blaarkoppen, negen zwarte witrikken, één zwarte kol, 28 rode, zeven rode blaarkoppen, één roodbonte, drie roodgevlekte, twee rode witrikken, één roodgekraagde, één vale, één vale blaarkop, twee grijzen, drie witten, drie witgevlekte, drie witgekraagde, één witte witrik en twee bruine dieren.

Een ander document is de 'boekhouding', van 1569 tot 1573, van een zekere boer Hennema, een Fries uit Berlikum. Hij vermeldt in dit boek de gekochte en verkochte dieren en geboren kalveren. In 1572 worden op zijn bedrijf geboren: een muiskleurig kalf van een zwarte koe, een muiskleurig stierkalf met witte kop van een gele koe, een muiskleurig gespikkeld koekalf van een dito koe, een zwart koekalf van een kleine rode koe en een zwart koekalf met witte kop van een koe met een zwarte rug. De veestapel weerspiegelde vooral de persoonlijke voorkeuren van de eigenaar. Van een verdeling in vlees- en melkkoeien, zoals heden ten dage, is nog totaal geen sprake. De kleuren en typen runderen op de vele schilderijen en panelen met vee, komen overeen met dit soort inventarisaties.

Vanaf het midden van de zestiende eeuw zijn er portretten van koeien gemaakt door onder andere Jaques de Gheyn, Nicolaas Berchem, Paulus Potter en Albert Cuyp, Peter Paul Rubens om de bekendsten te noemen. Het is een romantisch en modern idee fixe om te denken dat de schilder altijd iets nieuws en origineels produceerde en om de werkwijze en eisen van deze tijd te projecteren op voorgaande eeuwen.

Van Albert Cuyp zijn vele studies naar de natuur bekend van runderen en bij het bekijken van zijn werk krijg je een duidelijk beeld van zijn 'favoriete standjes'. Op het landschap 'Herder met vee' uit 1645, zien we in het midden een grote rode blaarkop liggen. Een 'Gezicht op Nijmegen' uit 1652 laat ook deze rode liggende koe zien. Op een 'Rivierlandschap met bergen' uit 1655 ligt in het midden van het beeld weer nagenoeg deze zelfde rode blaarkop. Dit beest is ook terug te vinden op etsjes en tekeningen. Uit schildersoogpunt bekeken is dit een mooie stand, met de brede bilpartij die overgaat in het vlak van de buik. Een dwingende vorm, uitermate geschikt om een accent mee aan te brengen. Ook een slapende en verschillende andere staande en liggende koeien zijn repeterende factoren op de doeken van Albert Cuyp.

Schilders maakten ook gebruik van houten of gipsen modellen, die tevens tot studiemateriaal voor hun leerlingen dienden. Deze landschapschilders waren geen fantaserende esthetici, maar meer of minder getalenteerde vaklui. Zij leverden vanuit hun ateliers de gevraagde landschappen, die, tot ver in de zeventiende eeuw, een Italiaanse sfeer moesten uitstralen. Dit 'italianiseren' werd gedaan aan de hand van studies gemaakt tijdens een eigen Italiëreis of die van een collega. Zij gebruikten het 'Hollandse' vee, wat voor hun neus stond, als stoffering, omdat er geen voorschriften bestonden dienaangaande en het vee sowieso in de Italiaanse schilderkunst nauwelijks een functie had.

De boeren hier hoefden niet veel meer te doen dan runderen uit de omliggende landen (ook Engeland) goedkoop in te voeren, deze te weiden en melken en de meeste in de herfst als vet vee te slachten. De kaas, boter en het gezouten vlees werden dan weer voor goed geld verkocht aan dezelfde buitenlanden, want een wezenlijk bestanddeel van de proviand voor legers en vloten. Deze voor de schatkist zo belangrijke inkomstenbron werd slechts bij hoge uitzondering in oorlogstijd aan banden gelegd. Overstromingen en de dan nog oncontroleerbare veeziekten waren dan ook economische rampen.

In 1865 verschijnt 'Het Rundvee' door G.J. Hengeveld. In twee kloeke delen beschrijft hij, in opdracht van het pas opgerichte Veefonds, de dan aanwezige veestapel in Nederland. Amper honderd jaar geleden liepen hier nog tientallen typen en kleuren rond, teveel om in dit bestek op te noemen, maar het vormt een groot contrast met de hedendaagse eenzijdigheid en eenvormigheid. Als Nederland, in het kader van de wet van de remmende voorsprong, in 1874 als één van de laatste landen een Stamboek voor runderen invoert, wandelen daar vele kleuren en maten naar binnen. De zwartwitten en roodbonten uit respectievelijk Jutland en Westfalen zijn er dan nog niet in geslaagd het weidebeeld in Nederland te overheersen. Dit is duidelijk te zien op de schilderijen uit de 19de eeuw. Op een paneeltje uit 1884 van Vincent van Gogh, 'Aardappels poten', staat een typisch voorbeeld van het door Hengeveld beschreven heiderund voor de ploeg. De schilders van de Haagse en Oosterbeekse school zien pas tegen 1890 een duidelijke toename van de zwart- en roodbonten in 'hun' weilanden. Dit was het visuele effect van een doelgericht, door de regering gepromoot fokprogramma.

De Friezen, ontevreden met dit stamboek, richten in 1879 het Friese stamboek op voor hun eigen superieure melkrund, dat dan zowel zwart- als roodbont kan zijn. Zij zullen met hun vee al vrij snel het beeld van de Nederlandse koe gaan bepalen. Uiteindelijk verdwijnen de talloze varianten in maat en kleur uit de weilanden en uit ons geheugen.

Heden ten dage is het omgekeerde het geval. Terwijl de kleuren weer terug zijn, heeft het collectieve geheugen grote moeite om de inprenting van de afgelopen honderd jaar teniet te doen. Voor veel Nederlanders en toeristen blijft Holland groen van gras met zwart- of roodwitte koeien. Ook nu zijn het de kunstenaars die de nieuwe kleuren en vormen wel in hun werk gebruiken.