Wolkers raast onvermoeid door de oorlogsjaren heen

Een oceaan van hoop, Ned.3, 19.30-20.01u.

Jan Wolkers zit achter een bureau bezaaid met kranten en boeken en vertelt zijn herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog. Dat doet hij op Wolkersiaanse wijze: breeduit, de grote dingen moeiteloos verwevend met de kleine en geheel vanuit zijn eigen perspectief. Hij is een echte verteller, zo een die er zin in heeft, die nauwelijks geduld heeft om de enkele vraag die hem gesteld wordt helemaal uit te horen - ja, ja, nee, ja, begint hij dan maar alvast te roepen. Wolkers heeft geen gesprekspartner nodig; hij is, om het oneerbiedig te zeggen, een peer op eigen sap.

In de VPRO-gids tekende Arnold Grunberg een monoloog op uit de mond van Wolkers - uit die mond komen vrijwel uitsluitend monologen - die nogal veel overeenkomsten vertoont met de monoloog die de schrijver voor de camera afsteekt. Hij springt door de oorlogsjaren heen en weer, nu eens is het mei 1940, dan weer zijn we in '43 beland, zijn broer is soms dood, soms levend, zijn vaders kruidenierszaak is nu eens open dan weer dicht, Wolkers zelf zit ondergedoken op de kunstacademie maar even later rijdt hij vermomd als vrouw de straat uit om in het verzet te gaan. Prachtig zag hij eruit, zegt hij verrukt, maar een vriend die de hoek om kwam riep meteen: “Ha Jan!” - “Nou, toen was het voorgoed afgelopen met dat verzet natuurlijk.”

We horen dat Wolkers een mooie carrière was aangezegd als 'de Rembrandt van het Derde Rijk' omdat hij op de kunstacademie zo'n snelle ontwikkeling doormaakte, maar zijn ambities lagen toch anders. We horen van zijn enige kennismaking met Duitse aggresiviteit, toen een Duitse officier hem een reusachtige klap in zijn gezicht gaf (“Ik voel het nog op m'n wang, dus hij moet het ook nog aan zijn hand voelen”) omdat hij, Wolkers, een oud dametje onder de voet dreigde te lopen. Hij keek de officier alleen maar aan 'met zoveel woede' dat de man niets meer deed, en zich uiteindelijk omdraaide en wegliep omdat “ik hem vernietigde met m'n ogen”.

Wolkers vertellingen roepen precies die sfeer op die we van verhalen over de oorlog kennen: beetje avontuurlijk, lekker anders dan anders, spannende tijd. Zijn vader keek joden die door de straat liepen bewonderend na “alsof ie ze door de woestijn ging volgen”, in de leeglopende kruidenierswinkel stolde de olie in de flessen, er was de dappere weigering om gevulde koeken aan de vijand te verkopen. Het was een tijd die Wolkers niet graag gemist zou hebben, zo te horen.

Wat deze verhalen toevoegen aan ons beeld van de bezetting weet ik eigenlijk niet. Niet zo veel. Aan ons beeld van Wolkers voegen ze trouwens ook niet zo veel toe, het meeste is al in zijn boeken terecht gekomen. Beelden zijn er nauwelijks te zien, we zien vooral Wolkers en af en toe een minieme flard archiefmateriaal. Dit is eigenlijk meer een aardig radioprogramma dat per ongeluk verdwaald is op de televisie.