Universiteit onder druk

In 1993 loste de politie minder dan twintig procent van de Nederlandse misdrijven op. Het Sociaal en Cultureel Planbureau noemt dat een 'ongeëvenaard laag niveau', zowel in de Nederlandse geschiedenis als in vergelijking tot andere Europese landen. Van de paar misdadigers die nog wel werden opgepakt, moest de politie er tegen de wens van de rechter-commissaris 4.340 vrijlaten wegens chronisch gebrek aan celruimte. Geen wonder dat 92 procent van de Nederlanders meent dat de misdaad toeneemt en dat 89 procent de criminaliteit een ernstig probleem acht.

Terwijl dat al erg genoeg is, kiest het gezaghebbende Engelse weekblad The Economist Rotterdam als belangrijkste illustratie in een groot artikel over langdurige werkloosheid in Europa en het ontstaan van een 'underclass'. 35 procent van de Turkse en 42 procent van de Marokkaanse landgenoten zijn werkloos, en in Rotterdam vormen rechts-extremisten het op een na grootste blok in de gemeenteraad. Voor ons in Nederland zijn dat bekende cijfers, maar het is een schok te beseffen dat Nederland ook internationaal opvalt voor wat betreft misdadigheid en uitzichtloze werkloosheid.

In de sector van de volksgezondheid is het nieuws daarentegen gunstig: wij leven gezonder en langer, maar dat heeft wel grote financiële consequenties. Steeds meer bejaarde Nederlanders vragen om een kunstheup of andere kostbare voorzieningen, en door de vergrijzing breidt die trend zich alleen maar uit. De zorg voor bejaarden wordt onontkoombaar duurder. Als dan het paarse kabinet niettemin de tarieven van de belastingen en sociale premies wil verlagen, en voor de opgave staat om al die prioriteiten bij elkaar op te tellen is er alle reden om te kijken of bijvoorbeeld het hoger onderwijs efficiënter en goedkoper kan. Betrokkenen zijn boos, maar natuurlijk hadden de ministers er rekening mee gehouden dat de opening van het academisch jaar vorige week aanleiding zou geven tot geween en tandengeknars. De politici nemen echter kennelijk aan dat de Nederlandse belastingbetalers voorrang geven aan het bestrijden van de misdaad, het subsidiëren van eenvoudig werk en het wegwerken van wachtlijsten in de gezondheidszorg, boven het comfort aan onze universiteiten.

Ze hebben gelijk. Als het kabinet niet in staat is om de tweede generatie werklozen in de achterbuurten van Rotterdam een bijstandsuitkering te garanderen die gelijke tred houdt met de geldontwaarding, kan diezelfde regering niet doorgaan met het verstrekken van honderden miljoenen per jaar als gift aan studenten die vér onder de kostprijs een opleiding volgen voor een goed betaalde functie. Het is jammer, maar de rechtvaardigheid vereist om alle giften aan studenten stop te zetten en hun voortaan uitsluitend leningen te verstrekken, totdat Nederland zoveel vorderingen heeft gemaakt met het bestrijden van misdaad en werkloosheid dat wij ons weer echte luxe kunnen permitteren. Gelukkig heeft oud-minister van onderwijs Van Kemenade al jaren geleden bevestigd dat er geen vrees hoeft te zijn dat het omzetten van giften in leningen ten koste gaat van de deelname aan het hoger onderwijs van studenten uit minder welvarende milieus.

Omzetting van giften in leningen is niet voldoende. De collegegelden zullen ook moeten stijgen. In de eerste plaats om de universiteiten te dwingen de kwaliteit van hun 'produkt' te verbeteren. Wat bijna gratis is, wordt niet gewaardeerd, maar als een student vijfduizend gulden per jaar moet betalen voor het genoten onderwijs, komt er een gezonde druk op de instellingen om docenten meer uren te laten doceren en de studenten intensiever te begeleiden. Bovendien bevordert een hoger collegegeld bij de studenten een zorgvuldige keuze van hun studierichting en een vlot studietempo. Ten slotte kan een hoger collegegeld en dus hogere eigen inkomsten van de universiteiten bijdragen tot grotere vrijheid voor de instellingen om los van het ministerie hun eigen bestuursvorm te kiezen en gebouwen en personeel zo efficiënt mogelijk in te zetten.

Uitsluitend nog leningen (onder overheidsgarantie), en volledige vrijheid voor de universiteiten en hogescholen om hun eigen collegegeld vast te stellen: dat lost de financiële problematiek voor jaren op. Misschien proberen sommige universiteiten dan wel om tegen een hoger collegegeld ook een hogere kwaliteit te bieden met onderwijs in kleinere groepen en de beste hoogleraren. Zo'n top-universiteit zal de aankomende studenten willen selecteren om een hoog intellectueel niveau in de klas te kunnen garanderen. Ons universitair systeem gaat dan meer lijken op dat in Engeland, waar iedereen die de middelbare school goed afsluit kan gaan studeren, maar niet altijd in Oxford of Cambridge. Selectie is dan echter een vrije keuze van de individuele universiteiten, want de hemel behoede ons voor een nationaal bureau in Groningen of Heerlen dat voor alle universiteiten de selectie verplicht gaat verzorgen. Trouwens, het Nederlandse middelbare onderwijs kent al nationaal georganiseerde eindexamens voor Havo en VWO en daarom is het onlogisch om onmiddellijk daarna een nationaal toelatingsexamen te houden voor het hoger onderwijs. Selectie is honderdmaal zinniger dan het huidige systeem van loting voor de medicijnenstudie (buitenlanders lachen ons uit om dit dwaze overblijfsel van de jaren zestig-mentaliteit), maar selectie moet dan een middel zijn waarmee universiteiten met elkaar kunnen concurreren en beslist geen zaak voor een uniforme landelijke politiek.

Als de overheid in zo'n nieuw financieel kader de universiteiten een paar jaar met rust kan laten, kunnen die zelf per studierichting bezien of een Bachelors-graad ook al na drie in plaats van vier jaar kan worden uitgereikt. Groot voordeel van korte studies in de eerste fase is dat studenten dan gemakkelijker na drie jaar scheikunde of Spaans nog een tweede (masters)graad kunnen halen in management, zonder dat zo'n dubbele studie excessief veel tijd kost. Wie wèl in het bedrijfsleven wil werken, maar het eenzijdig vindt om vijf jaar lang sommen over kosten en winsten te maken aan een economische faculteit, kan dan eerst een vreemde taal echt goed leren of zich technisch verder bekwamen, en daarna het mysterie van de dubbele boekhouding efficiënt doorgronden tijdens een korte MBA-opleiding. Ik zie daarom grote voordelen in de '3 + 2' formule van staatssecretaris Nuis, omdat die de studenten meer vrijheid geeft om vóór een management MBA-opleiding eerst iets anders te studeren.

Ceterum censeo dat artikel 9.42 van de wet op het Hoger Onderwijs de grootste handicap vormt voor betere universiteiten. Dat artikel ordonneert binnen iedere vakgroep een onwerkbare collectieve verantwoording voor het onderwijs en maakt het voor de decanen onmogelijk om wetenschappers individueel af te rekenen op hun inzet en ijver. De laffe zinsnede die wetenschappers opdraagt om 'in overeenstemming' met de hoogleraar hun werk te regelen had nooit in het staatsblad mogen komen. Dit collectieve zelfbestuur maakt rationeel management van de universiteit onmogelijk en is de voornaamste oorzaak dat zelfs de simpelste management-informatie ontbreekt over het aantal uren dat individuele wetenschappers lesgeven. Geen wonder dat op het ongesubsidieerde Nijenrode iedere docent individueel een takenpakket afspreekt met de decaan en daarover ook individueel verantwoording aflegt. Nijenrode is dan ook niet gebonden aan artikel 9.42 van de wet en wenst alle collega-universiteiten van harte hetzelfde toe.