Oudste universiteiten maken barsten in het front

De academische veste kraakt. De oudste universiteiten - Leiden, Groningen, Utrecht en Amsterdam - vinden dat de bezuinigingen tot dusver teveel in hun nadeel zijn uitgevallen. Vandaag bespreken ze hoe ze zich kunnen verweren. “Een verkapte oorlogsverklaring”, oordeelt de Rotterdamse rector, op bovendien een ongelegen tijdstip, nu het kabinet nieuwe bezuinigingen heeft aangekondigd. “De eenheid wordt verspeeld, ze spelen Ritzen troeven in handen.”

De aula van de Rotterdamse Erasmus Universiteit, een week geleden. Van de kantinemevrouw tot de Cubaanse zaakgelastigde, van burgervader Peper tot een enkele captain of industry , allemaal complimenteerden ze na de opening van het academisch jaar de rector met zijn rede. Rector magnificus prof. dr. P. Akkermans kon tevreden zijn. En dat was hij. Totdat hem de mare uit Utrecht bereikte. Daar had de bestuursvoorzitter tezelfdertijd aangekondigd dat de vier oudste algemene universiteiten - Utrecht, Leiden, Groningen en Amsterdam - een pact zouden sluiten omdat de kleine universiteiten bij de bezuinigingen teveel bevoordeeld zouden zijn. Bijkans verslikte de rector zich in zijn sapje.

“Dit is een verkapte oorlogsverklaring”, zegt hij twee dagen later, als hij de Utrechtse rede er nog eens op na heeft geslagen. “Dit is onwetenschappelijke spierballentaal. Deze blokvorming leidt ongetwijfeld tot een scheiding van geesten binnen de academische wereld.”

Vorige week kondigde de voorzitter van het Utrechtse college van bestuur, J. Veldhuis, aan dat de vier oudste algemene universiteiten dit najaar twee nota's zullen uitbrengen, buiten de “nivellerende” Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) om. Het ene geschrift zal in het teken staan van “de strategische betekenis van de grote en brede klassieke universiteit”. Daarin zullen de vier 'klassieke' zich en bloc verzetten tegen “verdere verkruimeling van het geld voor het hoger onderwijs ten gunste van de kleinere universiteiten”. In plaats daarvan zou de overheid de betere opleidingen kunnen selecteren voor extraatjes, stelt de collegevoorzitter voor. Gebeurt dat niet, dan ziet Veldhuis een sombere toekomst voor zich: 13 universiteiten, even groot, even breed en bovenal even middelmatig.

In de andere nota zullen de vier hun bezorgdheid uiten over het vergruizen van hun 'culturele functie'. De financiële last van het culturele erfgoed drukt steeds zwaarder op hun budget. De oudste moeten niet alleen net als alle andere universiteiten geld vrijmaken voor onderwijs en onderzoek, ze dienen met dat bedrag ook 'het publiek patrimonium' in stand houden. Afstoten kan wel, maar ervaringen van Groningen en Amsterdam met de hortus en de geologische collectie leren dat de zaken “alleen maar meer verstoffen en verpieteren”, aldus de Amsterdamse collegevoorzitter J.K.M. Gevers. De Leidse rector maginificus prof. dr. L. Leertouwer: “In Leiden staan wij nu voor de keuze geld te steken in de unieke plantencollectie van het herbarium met onder meer vierhonderd miljoen dode zaadplanten of in de studenten zelf, die natuurlijk voor gaan. Ons betoog is dat een echte universiteit er niet onderuit kan om allebei te doen. De keuze is dus aan de overheid.” Vandaag praten de vier oudste verder. Overigens staan de plannen vooralsnog los van het kabinetsvoornemen om op universiteiten en hogescholen vijfhonderd miljoen te bezuinigen.

Nieuw is het verbond van de vier niet. Twee jaar geleden zetten zij al de toon met de zogeheten incidentennota. Daarin schreven de oudste universiteiten dat ze achtergesteld werden. Ze voelden zich benadeeld door de twee bezuinigingsoperaties onder CDA-minister W. Deetman in de jaren tachtig: toen zouden ze naar eigen zeggen vijftien procent van hun budget hebben ingeleverd, terwijl de andere het met maar negen procent minder moesten doen. En het werk van de taakverdelingscommissie van de universeiten zelf zou, aldus de incidentennota, bij de grote algemene universiteiten hebben geresulteeerd in de opheffing van zo'n 40 studierichtingen, de overige leverden er één in. Eveneens kregen de 'klassieke' universiteiten te weinig onderzoekscholen naar hun zin en beschikten de kleine universiteiten in 1992 over dertig miljoen gulden extra om de explosieve studentenaanwas te compenseren. Omdat dit bedrag in de ogen van de vier ten onrechte bij hen werd weggehaald, spanden ze een procedure aan bij de Raad van State. Die zaak loopt nog. Twee jaar later hanteert de overheid nog steeds dezelfde bezuinigingsfilosofie, al behaalden de kleine letterenstudies een succesje. Sinds 1992 heeft de minister van Onderwijs tien miljoen gulden beschikbaar gesteld aan de gezamenlijke letterenfaculteiten, een bedrag waarvan overigens ook andere universiteiten, zoals die in Nijmegen, profiteren.

Intussen kraakt de academische veste. De geluiden uit Utrecht hebben wrevel opgeroepen bij de negen andere universiteiten. De bestuurders zien het pact tussen de vier als een bedreiging voor de zo zorgvuldig bevochten eenheid waarmee zij zich aan de buitenwereld presenteren. Toegegeven: één gesloten front zijn ze nooit geweest, al wisselden de coalities per onderwerp. Vorig jaar leidde de verlenging van de ingenieurstudies nog tot verhitte discussies tussen de technische en de algemene universiteiten, die voor hun bèta-studies ook een extra jaar opeisten. Twee jaar daarvoor kwamen de vier 'klassieke' universiteiten (Utrecht, Leiden, Groningen en Amsterdam) - ook toen al vanwege het geld - met de andere universiteiten in conflict over stemrecht binnen de VSNU, waarna deze belangenvereniging zich genoodzaakt zag een bepaling van gewogen stemgedrag in haar statuten op te nemen.

De rust leek weergekeerd. Tot de uitspraken van Veldhuis vorige week. Vooral de uithaal naar kleine universiteiten viel verkeerd bij dr. K. Dittrich, sinds kort voorzitter van het college van bestuur in Maastricht: “Ze willen dat er een einde komt aan gelijkwaardigheid tussen universiteiten. Maar gelijkwaardigheid bestaat niet. Wij als kleine universiteit moeten alles nog bevechten. Bovendien kun je naar mijn mening niet zeggen: die universiteit moet je klein houden. Iedere universiteit heeft zijn eigen dynamiek. Een universiteit betekent bijvoorbeeld heel veel voor de regio. Alleen al aan werkgelegenheid: wij hebben 2.200 mensen in dienst, daarnaast zijn er nog eens 3.300 die indirect hun brood aan ons verdienen”. Ook de Nijmeegse bestuursdvoorzitter dr. Th. Stoelinga is geïrriteerd. Waarom “klitten” de oudste vier bij elkaar, terwijl zijn universiteit net zo breed en algemeen is en ook drie studierichtingen bij de letterenfaculteit heeft moeten opheffen? Anderen storen zich vooral aan het ongelegen tijdstip waarop de Utrechtse bestuursvoorzitter zijn plannen ontvouwt: tegelijk met de voorgenomen kabinetsbezuiniging van vijfhonderd miljoen gulden op het gehele hoger onderwijs. Bovendien, vragen ze zich af, hadden ze alle 13 drie dagen eerder, in vergadering bijeen, niet afgesproken dat saamhorigheid het credo was? Bij die gelegenheid is door de vier klassieken niet gerept over kritiek op de bezuinigingssleutel. De Rotterdamse rector vindt: “De eenheid wordt verspeeld op een moment dat samen ageren tegen de kabinetsplannen juist van levensbelang is. Utrecht legt een bom onder ons overleg en speelt minister Ritzen troeven in handen.”

Al twee jaar achtereen zien de voltallige colleges van de vier oudste universiteiten elkaar eenmaal per twee maanden. Met lede ogen aanschouwen ze hoe de echte universiteit als 'uniek cultuurinstrument' - een typering van Johan Huizinga in 'Het Wezen der Universiteit historisch beschouwd' - steeds meer onder druk komt te staan van het bezuinigingsbeginsel 'gelijke monniken gelijke kappen'. Hun culturele functie, hun brede aanbod, hun geroemde multidisciplinaire benadering, waardoor kruisbestuiving tussen faculteiten mogelijk is, hun studierichtingen met vakken als Arctische Mediëvistiek en Byzantijns Recht - moet dat allemaal worden geofferd aan de werking van de markt? Neen, vindt Gevers in Amsterdam:“We hebben geen klassieke talen om Rinnooy Kan te plezieren. Neen, vindt de Leidse rector Leertouwer.“Het lijkt me onmogelijk dat ik ooit tegen mijn collega in Oxford of Harvard zeg: jammer maar we hebben nog maar drie faculteiten. Wil deze moerasdelta over dertig jaar nog internationaal kunnen meedoen, dan moet de politiek nu kiezen.”

Dat de oudste universiteiten studierichtingen hebben moeten opheffen heeft de breedte van de klassieke universiteit al meer dan genoeg onder druk gezet, vinden de vier. Toch is die daarmee niet helemaal geofferd meent het Groningse collegelid dr. M.A. Kooyman. Want de Leidse rechtenstudent, die Byzantijns recht als bijvak kiest, kan nog steeds terecht in Groningen. Kooyman:“Nu het geld steeds schaarser wordt, is het onvermijdelijk dat de strijd tussen universiteiten zich verhardt en gelijkgestemde elkaar opzoeken. Dit statement betekent dat we met zijn vieren zullen zorgen dat onze studies in Nederland overeind blijven.” De Leidse rector is op dat punt terughoudender. “Tegelijkertijd gaan we een stategische alliantie aan waarvan de deelnemers elkaars belangrijkste concurrenten zijn. Zolang wij niets anders doen dan ons druk maken over het culturele erfgoed kun je onderling niet tegen elkaar uitgespeeld worden. Ga je verder, dan wordt het anders. Leiden zou wel eens veel meer gebaat kunnen zijn bij samenwerking met Rotterdam en Delft dan met Groningen.”

De argumenten van de vier worden door de andere universiteiten met scepsis ontvangen. Het beeld - 'wij zijn oud, eerbiedwaardig en breed en daarom hebben we rechten' - is volgens de meeste bestuurders uit de tijd. Die geroemde kruisbestuiving bijvoorbeeld kan ook tot stand komen door samenwerking tussen verschillende universiteiten, menen ze, zeker nu de wetenschap steeds gespecialiseerder is geworden. En als de 'klassieke' vinden dat de universiteit met de beste kwaliteit het minste moet inleveren is dat prima wat hen betreft. Nergens ter wereld is aangetoond dat 'groot' en 'kwaliteit' bij elkaar horen. Sterker nog: indien de visitatierapporten als leidraad dienen voor kwaliteit, dan zou het wel eens kunnen betekenen dat de vier oudste minder geld krijgen, verwacht Schutte in Enschede. “Kleinere universiteiten als Tilburg, Twente en Maastricht zouden daar wel eens veel beter uit kunnen komen dan de oudste.”, vermoedt ook Dittrich in Maastricht, “De eerstgenoemde zijn flexibeler, dynamischer en ook kwalitatief beter omdat ze zich vaak op kleine terreinen heel nadrukkelijk hebben geconcentreerd.” “Klets natuurlijk”, reageert Gevers. Amsterdamse economen zijn volgens hem van een ander slag dan die in Tilburg en studenten moeten op basis van dat verschil gaan kiezen. “Laat Tilburg nou zo goed en zoveel mogelijk Tilburg blijven, dat lijkt me prachtig, dan probeert Amsterdam zo goed en zo kwaad mogelijk Amsterdam te blijven.” Gevers vindt dat de universiteiten af moeten van het idee dat het noodzakelijk is zoveel mogelijk op één lijn te komen: dat leidt alleen maar tot “middelmatige eenheidsworst”. “Waarom profileren universiteiten zich niet nadrukkelijk en zeggen ze wat ze wel en wat ze niet zijn?”, vraagt hij zich af. De technische universiteiten doen dat, de vier oudste doen dat en ook de bijzondere universiteiten moeten ophouden “op dat punt verstoppertje te spelen”. Gevers:“We moeten van elkaar verschillen, dat is veel leuker. Ik denk dat erg goed is als de VSNU geen grijze pap is. En de angst dat de minister ons tegen elkaar zou kunnen uitspelen, ach daar zijn we toch zeker zelf bij?”

En de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten? Moet de voorzitter zich bezinnen op een nieuwe rol voor zijn belangenorganisatie? Heeft de vereniging binnenkort nog maar vier leden? Want hoe meer de universiteiten onderling gaan concurreren hoe minder algemeen belang er voor de VSNU te behartigen valt. VSNU-voorzitter W.C.M. van Lieshout geeft toe dat die vragen hem bezig houden. Hij vindt dat de vier 'klassieke' wel “een zeer groot risico” hebben genomen door zich af te zetten tegen de anderen op een moment dat er juist een gelijkgestemd verzet tegen de bezuinigingen zou moeten klinken. Van Lieshout:“Van wijsheid getuigt dat niet. Hiermee zwakken ze de positie van de negen anderen en de VSNU af. En dan noem ik nog maar niet de mogelijkheid dat de technische universiteiten hieruit zouden kunnen concluderen dat zij zich moeten afscheiden. Zo'n initiatief zou wel eens aanzienlijk meer kans van slagen kunnen hebben.” Vooralsnog wacht hij de nota's met spanning af.