Nu eens geen kandidaat

HET BESLUIT VAN HET Nederlandse kabinet om geen kandidaat te stellen voor de post van secretaris-generaal van de NAVO mag wijs worden genoemd. Recente ervaringen met Nederlandse kandidaten voor hoge internationale posten waren zo teleurstellend, dat het koninkrijk zijn aanwezigheid op het internationale toneel minder voel- en zichtbaar heeft willen maken. De vraag is alleen: is dit een tactische terugtocht om straks weer met des te meer fanfare op te marcheren of is het een begin van een ingrijpende herwaardering van de Nederlandse positie in de Atlantische wereld en binnen Europa en dus een afscheid van de nationale overlevering?

Er zijn met de jongste kandidaturen diverse fouten gemaakt. In het opmerkelijkste geval, de diskwalificatie van de ervaren Europese politicus Lubbers voor het voorzitterschap van de Europese Commissie, hebben humeuren een rol gespeeld. Bovendien was de kandidaat zelf een ondersteunend kabinetsbeleid in zijn zaak al bij voorbaat ontstegen. Dat ministers als Kooijmans en Kok het nationale prestige toch nog hebben ingezet toen Lubbers al verloren had, heeft in het bevriende buitenland slechts bevreemding gewekt.

IN HET ALGEMEEN kan worden gezegd dat het de Nederlandse lobby's aan professionaliteit heeft ontbroken, zowel in persoonlijke als in politieke zaken. De namen Ruding (IMF) en Braks (FAO) komen in de herinnering, evenals de ondergang van het Nederlandse ontwerp voor het verdrag van Maastricht op 'zwarte maandag' en de mislukte poging om in Amsterdam Europa's toekomstige centrale bank gevestigd te krijgen. Steeds weer ontbrak het aan een systematische analyse van de mogelijkheden en steeds weer werd een centraal plan van actie voor alle betrokken departementen en instellingen node gemist. Binnenlandse zelfverzekerdheid was voortdurend omgekeerd evenredig met beschikbare kennis en inzicht. Met stevige teleurstellingen en zware nederlagen als gevolg, persoonlijke zowel als nationale.

Maar de tegenslagen zijn niet uitsluitend toe te rekenen aan persoonlijke overmoed en Haagse verkokering. Hier speelt de Nederlandse mentaliteit ook een rol. De mentaliteit die de overtuiging genereert net een slag beter, gewiekster en kosmopolitischer te zijn dan de buren. En daaraan verbonden, onder het opschrift 'Doe maar gewoon', de sterke neiging al te grote inspanning om het gestelde doel te bereiken, te vermijden. De keerzijde hiervan is de verongelijktheid die wordt getoond als de omwonenden niet onder de indruk blijken te zijn. Een bekende Nederlandse politica sprak van 'Belgische ketelmuziek' toen Dehaene zich als Lubbers' rivaal ontpopte en partijgenoot Tindemans hem daarin bijviel. Lubbers zelf inspireerde zijn Britse interviewers tot de karakteristiek 'Diktat' voor Kohls voorkeur voor de Belgische premier, en ook de toenmalige vice-premier, Kok, liet zich op de top in Korfoe niet onbetuigd met zijn uitdaging aan de Belgische eerste minister: vanavond is het België-Holland.

ALS DE ZWIJGZAAMHEID waarvoor het kabinet ditmaal heeft gekozen, de erkenning inhoudt dat het om meer gaat dan om technische en tactische missers, dat die tegenslagen juist voortvloeien uit de gespannen verhouding tot de internationale en Europese werkelijkheid, zou er veel zijn gewonnen. Er van uitgaande dat Nederland niet bepaalt 'waar het heen gaat', zou de opdracht in voorkomende gevallen moeten zijn te achterhalen waar de voor Nederland belangrijkste partners naar toe willen. Tot veler verrassing zou dan blijken dat deze daar onderling verschillende voorstellingen van hebben, ook al wordt dikwijls de schijn van het tegendeel opgehouden. Zonder eigen 'prioriteiten' te stellen zou Nederland vervolgens aansluiting kunnen zoeken bij de richting die het beste bevalt en die bovendien een redelijke kans maakt uiteindelijk door een meerderheid te worden gekozen.

Misschien is een dergelijke aanpak te opportunistisch voor Nederlandse rechtlijnigheid, maar hij biedt meer kansen op succes dan de tot dusver gebruikelijke. Bovendien hoeft het daarbij niet om een verbindende keuze te gaan voor een bepaald land of een landengroep. De Nederlandse belangen liggen verspreid genoeg om met wisselende bondgenootschappen een heel eind te komen. Waarom bijvoorbeeld was er niet al in een vroeg stadium samen met België een voorstel uitgewerkt voor de bezetting van de twee zetels waarvoor Den Haag goede kandidaten meende te hebben en die nu respectievelijk aan een Luxemburger en vermoedelijk aan een Belg toevallen? Een les voor de toekomst?