Niets mag referenda in Noordse landen hinderen; EU wil geen richtingenstrijd

BANSIN/USEDOM, 12 SEPT. Niets mag een goede uitkomst van de referenda over toetreding tot de Europese Unie die de komende maanden in Finland, Zweden en Noorwegen gehouden worden, verhinderen.

Vandaar dat de EU-ministers van buitenlandse zaken afgelopen weekeinde tijdens hun informele beraad op het Noordduitse Oostzee-eiland Usedom zo terughoudend mogelijk waren met informatie over hun besprekingen over de uitbreiding van de EU in oostelijke richting en over de toekomstige inrichting van de EU.

De discussie hierover is de afgelopen week opgelaaid nadat de Duitse bondsdagsfractie CDU/CSU een rapport naar buiten bracht waarin stond dat een 'harde kern' voorop moet lopen in het proces van Europese integratie. Op dat rapport is uit verschillende lidstaten kritiek gekomen, met name uit Italië en Groot-Brittannië. Het faliekant mislukte referendum over het Verdrag van Maastricht in Denemarken in het voorjaar van 1992 is nog steeds een bittere herrinnering. De Deense kiezer zou destijds kopschuw gemaakt zijn door uitgelekte rapporten van de Europese Commissie en geruchten uit Brussel dat de invloed van de kleinere lidstaten in de Europese Unie moest worden teruggedrongen. Het Deense 'nee' deed Europa in een crisis storten.

Zo'n rampenscenario willen de ministers deze keer voorkomen. Oostenrijk heeft al 'ja' gezegd, maar Finland (16 oktober), Zweden (13 november) en Noorwegen (28 november) moeten nog naar de stembus. Tot die tijd moet een al te openlijke richtingenstrijd over uitbreiding en inrichting van de EU worden vermeden. De Duitse regering, nu voorzitter van de EU, heeft al aangekondigd dat zij met concrete voorstellen zal komen over de wijze waarop de banden tussen de EU en de landen uit Midden- en Oost-Europa nauwer kunnen worden aangehaald, uiteindelijk uitmondend in het EU-lidmaatschap. Maar een rapport komt pas op tafel tijdens de Europese top in Essen in december, na de Duitse verkiezingen en na de referenda in de drie Scandinavische landen.

De terughoudendheid neemt niet weg dat de discussie over uitbreiding en inrichting van de EU - vooruitlopend op de zogeheten Intergoevernementele conferentie in 1996 - gewild of ongewild al is losgebarsten. De felle en ongeruste reacties uit de verschillende lidstaten op de eerder deze maand gepubliceerde suggesties van de Duitse christendemocraten bewijzen dat. “Het stuk komt op een uiterst ongelegen moment, het geeft een verkeerd signaal aan de Oosteuropese landen, het is geen stuk van de coalitie en het onderschrijft nog minder mijn persoonlijke opvattingen”, zei de Duitse minister van buitenlandse zaken Klaus Kinkel in een poging de schade zoveel mogelijk te beperken.

De nieuwe Nederlandse minister van buitenlandse zaken, Hans van Mierlo, toonde zich na afloop ervaren genoeg om begrip te hebben voor die terughoudende opstelling. “Er zijn hier twaalf ministers die Europa proberen te redden. In de discussie en wat we daarover naar buiten brengen, moeten we er ons rekenschap van geven dat er ergens anders nog gevechten gewonnen moeten worden”. Maar Van Mierlo verheelde niet dat hij het document van CDU/CSU een heel goed stuk vindt omdat het een sterke analyse geeft van de positie van Duitsland in Europa en omdat het “ons dwingt om in concrete termen na te denken over wat in hemelsnaam de consequenties zijn van verbreding en verdieping van de Unie”. Nadere lezing heeft Van Mierlo ook geleerd dat de opstellers helemaal niet spreken over een exclusieve groep van vijf lidstaten (Duitsland, Frankrijk en de Benelux), maar dat deelneming aan de kerngroep wordt opengelaten voor elke lidstaat die daarvoor de capaciteit heeft. Het stuk komt misschien op “een gruwelijk moment”, maar “ik behoor tot degenen die blij zijn dat het er ligt”, aldus Van Mierlo tegenover zijn collega-ministers.

In het document over de uitbreiding van de EU voor de Europese top in december in Essen, zal onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende kandidaat-toetreders. Het gaat om landen waarmee al zogeheten Europa-akkoorden zijn gesloten (Polen, Hongarije, Tsjechië, Slowakijke, Roemenië en Bulgarije), om de Baltische staten, om Slovenië en om Cyprus en Malta.

Discussiepunt afgelopen weekeinde was ook de door Duitsland opgeworpen vraag of toetreders gelijktijdig lid zullen worden van de EU, de WEU (de beoogde defensietak van de EU) en de NAVO, of dat voor een gedifferentieerde aanpak moet worden gekozen. Volgens Van Mierlo ligt een “parallelle benadering” voor de hand, en staat Nederland niet alleen in die opvatting. Maar dat betekent niet dat al die landen op dezelfde dag lid zullen worden, aldus de minister. “Een brainstorm sessie”, “een eerste, open gedachtenwisseling”, zo werd het belang van de discussie over de toetreding tot de EU, de NAVO en de WEU van de Midden- en Oosteuropese landen gerelativeerd. Harde conclusies leverden de bespiegelingen niet op.