Iers voorbeeld brengt EMU dichterbij

LINDAU, 12 SEPT. Alexandre Lamfalussy sloeg tijdens de lunch van de informele bijeenkomst van de ministers van financiën en centrale bankpresidenten afgelopen zaterdag in het Beierse stadje Lindau de spijker op zijn kop. De voorzitter van het Europese Monetaire Instituut, de voorloper van de Europese centrale bank, drukte zijn toehoorders op het hart de financiële beleidsfouten van eind jaren tachtig niet te herhalen.

Destijds, tijdens de jongste economische hoogconjunctuur, maakten de meeste lidstaten van de Europese Unie geen gebruik van de luxe van de ruimere inkomsten om hun begrotingstekorten te verminderen en de staatsschuld te verminderen. Na de recessie van de afgelopen twee jaar kampen de lidstaten van de EU daarom met een groot probleem. De torenhoge staatsschulden in Europa werpen een schaduw op het economisch herstel en maken het de meeste lidstaten moeilijk om straks te voldoen aan de financiële eisen die verbonden zijn aan de toetreding tot de toekomstige Economische en Monetaire Unie (EMU).

In grote eensgezindheid besloten de ministers van financiën in Lindau daarom om de komende economische opleving te gebruiken voor het op orde brengen van de overheidsfinanciën. De norm is er al: in het Verdrag van Maastricht worden een maximaal overheidstekort van 3 procent van het bruto binnenlands produkt (bbp) en een staatsschuld die maximaal 60 procent van het bbp bedraagt, genoemd als toetredingseis voor de Economische en Monetaire Unie, die op zijn vroegst in 1997 en uiterlijk in 1999 van start moet gaan.

Uitgezonderd Luxemburg voldoet niemand daaraan. Onder leiding van de de Duitse minister van financiën Theo Waigel besloten de ministers om desondanks de EMU-norm niet los te laten. Met name Duitsland, met de Bundesbank voorop, wenst niet in een EMU plaats te nemen als het daarmee wordt opgezadeld met de gebrekkige financiën van de anderen.

Onafhankelijk van de politieke vraag hoe het toekomstige Europa er uit moet zien, filtert 'Maastricht' de kandidaten voor de Economische en Monetaire Unie vanzelf uit. Zoals minister Zalm van financiën dit weekeinde al onderstreepte, staat in het Verdrag van Maastricht dat, wanneer in 1997 een groep van landen aan de EMU-normen voldoet, zij eerder dan de rest van start kunnen gaan wanneer zij met voldoende leden zijn om een gekwalificeerde meerderheid te bereiken in de raad van ministers. In 1999 gaat de EMU alsnog van start met de groep van gekwalificeerde landen, hoeveel dat er ook zijn.

Wie, naast het voorbeeldige Luxemburg, die toekomstige deelnemers kunnen zijn, werd dit weekeinde duidelijker. Waigel zei dat Duitsland aan het van dit jaar aan de normen zal voldoen. Het heeft een begrotingstekort van 3,1 procent en een staatsschuld van 53,6 procent, en is daarmee dicht in de buurt van de norm. Ook Frankrijk heeft een 'bescheiden' staatsschuld van 48,1 procent, maar zal het begrotingstekort van 5,6 procent fors moeten terugbrengen. Datzelfde geldt pro forma voor het Verenigd Koninkrijk, zei het dat de wens om toe te treden politiek in Londen zeer omstreden is.

Voor de rest van de EU-leden is de staatsschuld eenvoudigweg te hoog om nog voor het einde van de eeuw terug te brengen tot het niveau van 60 procent. daarom stak de 'Ierse kwestie' sommige lidstaten een hart de riem. Ierland wist in enkele jaren de staatsschuldquote terug te brengen van 116 procent naar 93 procent. Dat is nog steeds veel te hoog, maar voor de Europese Commissie was de voortgang bij het terugbrengen van de schuld voldoende om Ierland als enige samen met Luxemburg weg te laten van het lijstje landen die niet aan de EMU-normen voldoen. Ondanks Duitse bedenkingen tegen die uitleg van 'Maastricht', gingen de ministers daar dit weekeinde mee akkoord.

Voor de Nederlandse delegatie was dat goed nieuws. De Nederlandse staatsschuld is met 82,2 procent te hoog om straks tot de EMU toe te kunnen treden, en het zou forse begrotingsoverschotten vergen om de zestig procentsnorm vóór 1999 te bereiken. Door, net als Ierland, tegen die tijd te kunnen laten zien dat de staatsschuldquote in ieder geval in de goede richting beweegt, maakt Nederland alsnog kans te worden geaccepteerd.

Minister Zalm van financiën wordt daarbij, evenals zijn Europese collega's, geholpen door de opleving van de economie. Europees Commissaris voor economische zaken Henning Christophersen zei dat economische groei in Europa een procent hoger zal uitkomen dan de twee procent waaraan de Commissie tot nu toe vasthield. Ook Nederland past in dat beeld. In het regeerakkoord wordt nog uitgegaan van twee procent groei - het behoedzame scenario van het Centraal Planbureau. Bij een hogere economische groei krijgt Zalm twee meevallers: allereerst mag de staatsschuld worden gedeeld door een groter bruto binnenlands produkt, en ziet er optisch al beter uit. Ten tweede kan Zalm rekenen op hogere inkomsten, die het begrotingstekort - en daarmee de opbouw van de staatsschuld - kunnen drukken.

In het regeerakkoord wordt uitgegaan van een begrotingstekort van 2,9 procent aan het eind van de kabinetsperiode. Als de economische groei meevalt, dan kan volgens het akkoord het tekort verder worden teruggedrongen tot 2,7 procent. Om de staatsschuldquote substantieel naar beneden te brengen, en zo in de voetsporen van Ierland te treden, zal Zalm moeten streven naar een verdere vermindering van het tekort. Binnen het ministerie van financiën en de Nederlandsche Bank circuleert al geruime tijd de wens voor een financieringstekort van 1,75 procent om de schuldenlast van het Rijk echt te verminderen. Dat percentage lijkt sinds dit weekeinde opnieuw actueel.

Begrotingstekort en staatsschuld in 1994

(als percentage van het bruto binnenlands produkt)

Luxemburg 0,4 7,9 Ierland 2,5 93,1 EMU-norm3,0 60,0 Duitsland 3,1 53,6 Nederland 3,6 82,2 Denemarken 4,6 82,2 België 5,4 142,6 Frankrijk 5,6 48,1 Ver. Koninkrijk 6,0 50,5 Portugal6,2 70,2 Spanje 7,2 61,4 Italië 9,5 123,3 Griekenland 17,9 154,0

Bron: Europese Commissie