Git, gitzwart

Zwart is geen kleur, weten wijsneuzen, maar wat is dan het verschil tussen zwart en gitzwart? Of beter: wat is git?

Git is een delfstof die is ontstaan door verkoling van hout dat in rottingsslik heeft gelegen. Git staat ook bekend als bergwas, pekkool, zwart agaat of zwart barnsteen. In de oudheid noemde men de steen gagates. Plinius herleidde deze naam van de rivier en de plaats Gagai in Lycië, indertijd een koninkrijk aan de zuidkust van Klein-Azië. Doorgaans hechten etymologen niet veel waarde aan de woordverklaringen van Plinius, maar in dit geval wordt zijn bewering vrijwel overal zonder tegensputteren overgenomen.

Nu is Gagai afgezien van die opmerking van Plinius niet meer dan een voetnoot in de geschiedenis van de klassieke oudheid. Volgens de Princeton Encyclopedia of Classical Sites (1976) is het plaatsje in de vierde eeuw v.Chr. voor het eerst vermeld. Het zou zijn gesticht door in moeilijkheden verkerende zeelieden uit Rhodos, die verheugd “Ga, ga!” (land, land) riepen toen ze de kust zagen. Het verhaal wil dat zij het oord van hun behouden aankomst 'Landland' hebben gedoopt: Gagai. Een metropool is het nooit geworden, al moet er ten minste een badhuis hebben gestaan. Tegenwoordig resten er slechts schamele ruïnes, waar precies één inscriptie is gevonden.

Over de eigenschappen die aan de stenen uit Gagai werden toegeschreven zijn we dankzij Plinius heel wat beter geïnformeerd. Krassen die met deze zwarte, gladde steen op aardewerk worden gezet, kunnen nooit meer worden gewist, meende hij. “Verbrandt men de steen, dan houden de dampen slangen op afstand en verdrijven ze hysterische aandoeningen; men kan er epilepsie mee diagnostiseren en maagdelijkheid controleren. Een aftreksel van de steen in wijn helpt tegen kiespijn en samen met was is hij goed tegen de klierziekte.” Bovendien gebruikten zieners de steen bij voorspellingen, zo besloot hij.

Stenen uit Gagai waren al vroeg in Nederland bekend. In het Middelnederlands schreef men gagaet, later aget of g(h)et en weer later git. Het wegvallen van de g aan het begin van het woord is waarschijnlijk te wijten aan verwarring met agaat - een steen die volgens Plinius ook van een riviernaam is afgeleid, maar dan een op Sicilië. Overigens bleef ook de vorm gagaat bestaan, maar die is minder gebruikelijk.

Git werd voorheen in grote hoeveelheden in Duitsland gevonden, vooral in Würtemberg. Er werden gespen van gemaakt, oorbellen, snuifdozen en vooral rouw- en halssieraden. Bilderdijk vertaalde in 1808 een Latijns gedicht van Van Baerle over een “zwartkoralen borstklis” om de hals van Maria Tesselschade, dat begint met de regels:

Tessel, waarom zulk een borstweer voor den toegang tot uw hart? Waarom voor dien kuischen boezem, zulk een oogverschrikkend zwart?

Zal dit git de liefde weeren, die, uws ondanks, u beloert?

Dichters mochten het glimmend zwarte git graag vergelijken met flonkerende zwarte ogen en dus dichtte Simon van Beaumont (1573-1654):

Hondert Kusjes hondertmaal

(-) Zoud' ik zonder rusten gheven

(-) An uw koontjes, roodt en wit

An uw borstjes, hardt en rondt

An uw ooghjes, als een git

Schoone noordtster van mijn leven.

Op zijn beurt maakte Tollens git nog zwarter dan het al is door het te verbinden met ravenveren. Haar vlechten zijn als ravengit/ Haar boezem is als zwanenwit, dichtte hij.

Waarmee maar gezegd wil zijn dat zwart wel degelijk een kleur is, en gitzwart helemaal.