Freek als bittere nar in een soepjurk in Minetti

Voorstelling: Minetti van Thomas Bernhard, bewerkt en gelezen door Freek de Jonge. Gezien 9/9, Theaterfestival, Den Haag, Koninklijke Schouwburg.

Freek de Jonge speelde vorig seizoen bij Het Nationale Toneel de Nar in Shakespeare's King Lear. 'Dus', redeneerde men bij het Theaterfestival met ontroerende schijnlogica, lag het voor de hand dat hij nu ook te zien moest zijn in Minetti, de monoloog die Thomas Bernhard schreef over een stervende acteur die beweert dat hij zijn al dertig jaar onderbroken tweederangscarrière binnenkort zal bekronen met het spelen van King Lear. Die rol is voor Bernhard een symbool, over Shakespeare gaat de monoloog alleen zijdelings, dus met De Jonges optreden als Lear's Nar heeft het al helemaal weinig van doen. Wel met Freek de Jonge zelf.

De Jonge doet er al jaren van alles aan om niet langer 'alleen maar' een van de beste cabaretiers te zijn die Nederland rijk is. Hij schrijft romans, hij speelt filmrollen en sinds vorig najaar dus ook toneel. Hij heeft zich er nog nooit toe weten te zetten om zijn oude stiel achter zich te laten: de romans worden voorgelezen voor een publiek, de filmrollen vertaald naar one man-shows en Shakespeare's Nar werd een Freek de Jonge-performance in plaats van een geïntegreerde, de hoofdrol ondersteunende figuur. In een interview met deze krant vertelde hij zelfs aanvankelijk verbaasd te zijn geweest dat regisseur Franz Marijnen hem vorig jaar niet het middelpunt van de voorstelling had laten zijn. Toch een hang naar Koning Lear dus, zij het anders dan Bernhards Minetti.

Bernhards monoloog rot en rammelt door over hoe mooi en hoogstaand en voorbij zijn Vak is, superieur, tragisch en vilein uitpakkend voor de spreker zelf. Masochistisch verlustigt hij zich in de slechte staat waarin het toneel nu zou verkeren. Tot in het absurde ettert hij door over het verfomfaaide gedoe dat voor toneelkunst doorgaat, over het opportunisme van schouwburgdirecties, over de domheid van het publiek - allemaal ergernissen die ook de Jonge op zijn terrein woedend hebben gemaakt.

Freek de Jonge las Bernhards tekst, die hij aanvulde met eigen zinnen, voor, maar hij speelde wel degelijk theater. Een show maakte hij. Geen toneel. Bernhards hynotiserende staccato-zinnen stonden op zijn blaadjes papier, maar vielen in de voordracht niet meer op. Het taaleigen en het karakter van het stuk waren onzichtbaar gemaakt, onderworpen aan De Jonges meeslepend laconieke, zwartgallige spotlust. Winnen deed hij niet. Monotonie sloeg na een uur toe, effecten waren schaars en bekend voor wie De Jonges eigen shows paraat heeft.

De bewerking die Freek de Jonge liet zien - eenmalig maar in zijn opdracht geregistreerd door een professionele cameraploeg, dus wel degelijk bedoeld voor de eeuwigheid - hevelde de tekst van de oude acteur over naar zijn oorspronkelijk vrijwel geheel zwijgende gezelschap, een dame die in De Jonges optiek over net zo veel gewaande en vergane glorie beschikt als haar gesprekspartner. Hij gaf de dame niet als een acteur gestalte maar zoals het een komiek betaamt, koddig, koket en tragisch. Met een afzakkende veer op haar turban en malle mannenbenen onder een soepjurk. Via haar en haar visie eigende De Jonge zich Bernhards stuk toe, en dat deed hij niet als een acteur of een toneelmaker, maar als een cabaretier die wel anders wil, maar niet te veel. “Van een zure komiek tot een bittere nar”, hij zei het zelf.