Chailly en Kaplan openen Amsterdams super-Mahlerseizoen

Concert: Kon. Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly. Programma: A. Berg: Sonate op. I, bewerking Theo Verbey; A. Schönberg: Kammersinfonie Nr. 1; G, Mahler: Eerste symfonie. Gehoord: 7/9 Concertgebouw Amsterdam.

Concert: Residentie Orkest en Ned. Concertkoor o.l.v. Gilbert Kaplan m.m.v. Annegeer Stumphius (sopraan) en Susanna Poretsky (mezzo). Programma: G. Mahler: Tweede symfonie. Gehoord: 10/9 Concertgebouw Amsterdam.

Aan de einder van het Amsterdamse muziekseizoen gloort al het Mahler Feest in mei, wanneer in 17 concerten het complete symfonische en liedoeuvre van Gustav Mahler wordt uitgevoerd. De aanloop van het seizoen heeft het karakter van een uitvoerige voorschouw: binnen dertig dagen is in het Amsterdamse Concertgebouw al de helft van Mahlers symfonische werk te horen: de symfonieën nrs. I, II, VI, VII en VII. Later volgt nog meer Mahler: II, V en IX. Zo is het eigenlijk altijd wel een beetje Mahler Feest in het Amsterdamse Concertgebouw, al sinds de componist zelf daar vanaf 1903 zes van zijn symfonieën, de Kindertotenlieder en Das Klagende Lied introduceerde.

Het Amsterdamse super-Mahlerseizoen werd vorige week woensdag geopend door Riccardo Chailly en het Concertgebouworkest met een fraaie vertolking van de Eerste symfonie. In vergelijking met eerdere uitvoeringen klonk die met her en der aangezette dynamiek en tempoverschillen nogal anders: Chailly hield tal van passages extra klein en zacht, de strijkers speelden met opvallend milde klankkleur en in het slotdeel werkte de herhaling van het beginthema als mistige flarden die moeizaam in de herinnering terugkomen. Aan het slot van deze symfonie, die eigenlijk niet aan zijn eind kan komen, galoppeerde Chailly naar de finish.

Zaterdagavond zorgden Gilbert Kaplan en het Residentie Orkest met de Tweede symfonie ('Auferstehung') voor de officiële opmaat van het Mahler Feest met een benefiet-concert waarvan de opbrengst ten goede komt aan de verwerving van het Mengelberg-archief.

De Amerikaanse uitgever Gilbert Kaplan is een amateur-dirigent, de Tweede symfonie is het enige repertoire waarmee hij al jaren optreedt en hij heeft daarmee in de serieuze muziekwereld inmiddels respect verworven. In 1996 zullen Kaplan en The Philharmonia Orchestra met die Tweede zelfs de Salzburger Festspiele openen. Het lijkt van intendant Gerard Mortier een affront aan de èchte professionele dirigenten om het meest prestigieuze culturele evenement ter wereld te laten inluiden door een amateur.

Kaplan bleek bij zijn Nederlandse debuut een inmiddels ervaren dirigent: wat stijf en met een expressieloze linker hand, leidde hij zonder enig technisch probleem het Residentie Orkest in een goed gespeelde uitvoering die een individueel karakter had. Dat laatste is ook wel een vereiste, want Kaplan wil een andere, partituurgetrouwere en puristischer Mahler brengen dan de 'gewone' dirigenten, anders is volgens hemzelf zijn optreden zinloos.

Een goed voorbeeld daarvan is de manier waarop Kaplan in het eerste deel de climax aan het eind van het molto pesante realiseert in een synchroon ritardando en crescendo, met fenomenaal schrikwekkend resultaat. Bij Haitink heb ik dat in de jaren '70 één keer zo gehoord, later van hem en niemand anders nooit meer Zó. Ook de door Mahler voorgeschreven vijf minuten rust na het eerste deel nam Kaplan in acht.

Het opvallendste technische kenmerk van Kaplans Mahler is de opzienbarende tempovastheid: een eenmaal ingezet tempo kan hij zeer lang exact vasthouden, zonder een spoor van rubato. De uitvoering kwam in lengte ook vrijwel exact overeen met Kaplans plaatopname met het London Symphony Orchestra uit 1988.

Kaplans Mahler ademt minder, is strakker en krijgt vaak andere fraseringen. Die zorgen evenwel op den duur voor verrassend dramatische effecten. Allerlei details klinken daardoor anders of worden zelfs voor het eerst belicht. Andere en vertrouwde accenten verdwijnen soms geheel.

De dynamiek, het verschil tussen zacht en hard, is bij Kaplan extreem groot. De pianissimi zijn normaal, de fortissimi zijn echter exorbitant. Waar andere dirigenten in het slotdeel de climax voor de koorinzet visueel ondersteunen door het koor te laten opstaan, daar had Kaplan meer dan genoeg aan het verpletterende orkestvolume, met een dominerend aandeel voor het slagwerk. Niettemin kwam hij daar in de monumentaal zinderende koorfinale nog overheen, met groot publiek succes.