Bevrijding was voor Breskens lijdensweg

BRESKENS, 12 SEPT. “Het was een prachtige dag. De herfst zat in de lucht, maar de zon scheen volop. Wij, als kinderen, speelden aan de haven. Wie kon vermoeden wat ons te wachten stond.” Gisteren werd in Breskens herdacht dat vijftig jaar geleden de geallieerden in hun opmars naar het noorden het Zeeuwse vissersplaatsje in enkele momenten met bommen plat gooiden. Van de ongeveer 3.300 inwoners kwamen er 183 om. Veel bewoners raakten voor de rest van hun leven gehandicapt. Tachtig tot honderd Duitse soldaten werden gedood.

Het anonieme Breskens werd aan het eind van de oorlog even van strategisch belang. Het Duitse Vijftiende Leger sloeg vanuit Frankrijk in grote wanorde op de vlucht voor de geallieerden. Antwerpen was al bevrijd, die vluchtroute was dus afgesneden. De Duitsers dromden met duizenden samen in Breskens in de hoop met boten over de Westerschelde naar Vlissingen te ontkomen. De inwoners van Breskens zagen het vluchtende leger geamuseerd voorbij trekken. “Sommige soldaten hadden klompen aan”, vertelt A. Vergouwe, nu 62 jaar. “ Met fietsen, kruiwagens, kinderwagens, wat ze maar te pakken konden krijgen, liepen ze doodvermoeid over straat.” De jeugd van Breskens stroomde elke dag naar de haven om het schouwspel te volgen.

Maandag, 11 september 1944, was het weer raak. Ook de twaalfjarige Bram Vergouwe was met vriendjes in de haven 'aan het avonturieren'. De vreugde sloeg snel om in grote angst toen rond half vier in de middag 72 RAF-bommenwerpers boven het dorp en de haven verschenen, en ladingen bommen lieten vallen. “Ik vluchtte een woonhuis in waar meer mensen waren. Huilend, biddend en vloekend wachtte men op wat komen ging.” Toen de woning werd geraakt, vielen er doden en gewonden. De twaalfjarige Bram liep een hoofdwond op die hij zelf verbond met een stuk gordijn. “Toen ik door de muur naar buiten liep, was de bewoner van het huis bezig zijn zwaargewonde vrouw op een kruiwagen te laden. Hij duwde mij een pond boter in handen, kennelijk een kostbaar bezit. Met die boter ik ging op zoek naar mijn ouders.” Een enorme vuurzee versperde de weg naar het ouderlijk huis. Overal lagen doden, en gewonden. “En overal was paniek.” Bram vluchtte naar zijn oudste broer die in Driewegen, een ander dorp, woonde. Daar vond hij de rest van zijn familie; vader, moeder, en zeven kinderen. Het achtste, Betsie van 15, kwam niet opdagen. “We hebben haar nooit meer teruggevonden.”

De familie Vergouwe dacht in het rustige Driewegen veilig te zijn. Maar de ellende was nog lang niet voorbij. De Duitsers hadden inmiddels het belang ingezien van de Westerschelde. De geallieerden hadden de haven van Antwerpen in handen. Hitler wilde koste wat kost voorkomen dat de geallieerden Antwerpen als toevoerhaven gingen gebruiken. West-Zeeuwsch-Vlaanderen en Walcheren, poortwachters van de Scheldemonding, werden spergebied. De Duitse soldaten kregen opdracht te vechten tot ze erbij neer vielen. Deserteurs dienden onmiddellijk te worden neergeschoten. Tegen hun familie in Duitsland zouden strafmaatregelen worden genomen. De geallieerde legerleiding had aanmerkelijk minder aandacht voor het gebied. Haar troepen beschikten over weinig reserves. De eerste aanval op West-Zeeuwsch-Vlaanderen werd dan ook onmiddellijk afgeslagen. Geschrokken door de heftige Duitse tegenstand besloten de Canadezen verder zo min mogelijk risico's te nemen. Het gebied werd eerst onafgebroken gebombardeerd en beschoten. Pas daarna trokken de bevrijders binnen. Voor de bevolking van West-Zeeuwsch-Vlaanderen begon een periode vol verschrikkingen. Schuilend in kelders en putten wachtte men af, terwijl de geallieerden meter voor meter terrein veroverden, vaak in gevechten van man tegen man. De verwarring was groot. Soms werden plaatsen beschoten terwijl de Duitsers al waren vertrokken. Ruim vierhonderd burgers kwamen om.

Toen op 2 november de laatste bezetter zich had overgegeven, lag een derde van alle gebouwen in de streek in puin. De bevrijders werden veelal koel ontvangen. Veel bewoners begrepen niet waarom zij de bevolking zo hadden laten lijden. A. Vergouwe bracht de laatste negen dagen van de oorlog door in een droge sloot. “Langzaam aan hoorden we het boem-boem-boem van de bombardementen over gaan in het gerikketik van beschietingen. We wisten dus dat de bevrijders er aan kwamen.” Over de laatste tientallen meters deden de Canadezen toch nog enkele dagen, maar op 14 oktober was het zover. “We waren blij, maar niet uitbundig. Daarvoor waren we te uitgeput.” Vergouwe bedrijpt het onbegrip over de Canadese aanpak van veel van zijn streekgenoten. “Je vraagt je af: Waarom? Was dit nodig? Maar aan de andere kant: Het was oorlog. En dan kan alles gebeuren.”