Arend

Boven het bos verscheen opeens een geweldig stel vleugels. Bij die vleugels hoorde een vogel en die vogel nam zonder veel omhaal de kroon van een mager sparretje in bezit. Een steenarend. Hij schudde zich uit en keek even naar de mensen die stonden te kijken. Ze deden hem niks.

Toen bezon hij zich op zijn positie. Hij besefte dat een steenarend weleens te zwaar zou kunnen zijn voor de kroon waarin hij was neergestreken en besloot een paar takken naar beneden te gaan. Behendig gebruikte hij zijn snavel om zich te verzekeren van steun en evenwicht. Het was zoals hij klauterde precies een papegaai. En dan zijn er mensen die denken dat steenarenden geen gevoel voor humor hebben.

Hij schudde zich nog eens uit en keek opnieuw, als om een hoekje, naar de mensen die stonden te kijken. Ze deden hem nog altijd niks. Dus richtte hij zijn aandacht op hun hond, een argeloze snuffelaar. Die overweldigende blik, dat amalgaam van zich verbazen, woede en berekening.

Als Rekel een tekkel was geweest was hij nu, in deze alinea, voor de bijl gegaan. Stel je voor: de vlucht van een arend met een hond in zijn klauwen, jouw hond, steeds hoger.

Een tijdje later begon het regenen en daarna harder, steeds harder. Het kwam met bakken uit de hemel en die avond, de laatste, viel op vele hellingen de eerste sneeuw. Net als vorig jaar.