Topsportarts ziet lang gekoesterde wens in vervulling gaan; De eenvoud van dokter Vergouwen

Peter Vergouwen, van 10-9-1947 te Etten-Leur, is sinds 1 juli 1980 in dienst als sportarts bij de Nederlandse Sport Federatie (NSF). Hij behandelt sinds 1989 alleen nog topsporters. Vergouwen haalde het diploma van de sportacademie in Tilburg en gaf eerst nog twee jaar les als leraar lichamelijke opvoeding voordat hij aan zijn studie medicijnen begon. Hij studeerde in 1979 af.

PAPENDAL, 10 SEPT. In de spreekkamer van arts Peter Vergouwen op Nationaal Sportcentrum Papendal hangen foto's en affiches van een aantal van zijn prominente patiënten: Van Langen, Krajicek, Verstappen en Gebreselassie, de Ethiopische wereldrecordhouder op de 5.000 meter hardlopen. Aan de muur ook een ingelijste krantekop: Vergouwen krijgt zijn gelijk. “Dát is de waarheid”, lacht de dokter.

De naam van Vergouwen valt opvallend vaak in verhalen met topsporters. Hij wordt vrijwel door iedereen geprezen. “Het zou belachelijk zijn als ik zou zeggen dat ik dat niet leuk vind”, reageert de 47-jarige arts. Dan bescheiden: “Ik vind mezelf helemaal niet zo goed. Eenvoud maakt macht. Ik luister goed, bekijk ze goed en eis veel van ze. Meer doe ik niet.” En, beseft hij, hij weet precies waar de grenzen van zijn kennis en mogelijkheden liggen. “Ik vind het heel prettig om met collega-specialisten samen te werken.”

Daarom ging met de gedeeltelijke detachering van zijn werkgever NOC*NSF naar het Academisch Ziekenhuis Utrecht (AZU) een lang gekoesterde wens in vervulling. Hij is met ingang van deze maand de afdeling topsportbegeleiding aan het opbouwen en zal die daarna leiden. Vergouwen, die drie dagen in de week bij het AZU werkzaam zal zijn en twee dagen op Papendal, heeft in Utrecht alle kennis van specialisten en apparatuur onder één dak, op academisch niveau een unicum in de Nederlandse sportgeneeskunde. De arts spreekt zelf van “een revolutionaire visie” van het AZU.

In de huidige situatie gaat volgens Vergouwen regelmatig kostbare tijd verloren door medische handelingen die op vele kilometers afstand van zijn spreekkamer moeten gebeuren. En het zijn juist, zoals de NOC-arts het zegt, “de pieldingen” die een sporter kunnen nekken. “Het kan iets zijn waarmee iemand normaal 108 jaar kan worden, maar waarmee een topsporter geen wereldkampioen wordt. Het is belangrijk dat zo'n micro-afwijking snel wordt ontdekt, anders loopt zo'n man of vrouw met open ogen het ravijn in.”

Zijn naam mag dan regelmatig door tevreden topsporters worden genoemd, zelf zoekt Vergouwen de publiciteit nooit. “Ik kan toch niet vertellen wat er echt aan de hand is”, stelt de dokter. “Alles valt onder de arts-patiënt-relatie, het medisch beroepsgeheim. Alles ligt dus verborgen. Ik ben jaloers op mensen die alles ronduit kunnen zeggen. Ik kan ook ongelóóflijk interessante dingen vertellen, maar het moet altijd beperkt blijven bij oppervlakkig gebazel.”

Hij bekent weleens moeite te hebben om zijn mond te houden. Dan leest en hoort hij onwaarheden. Dan zou hij de werkelijke toedracht wel van de daken willen schreeuwen. Dat hij de sporter in kwestie nog zo had gewaarschuwd. “Hoe vaak lees je niet dat de medische begeleiding matig was? Maar dat er door sporters en trainers wordt gezondigd hoor je niet.” Hij moet ook regelmatig lachen. Zoals toen hij las dat tennisser Richard Krajicek het belachelijk noemde dat hij tijdens zijn revalidatie moest beginnen met wandelen. “Het lachen verging me wel toen ik hoorde dat hij het pas één keer in drie dagen had gedaan.”

Vergouwen moet voortdurend sporters remmen op hun weg naar herstel. “Ze stellen altijd één onmogelijke vraag: 'Hoe lang duurt het?' Ze moeten leren dat ik daar geen antwoord op kan geven. Ik verbaas me weleens als ik lees dat een collega heeft gezegd: 'Over drie weken loopt hij weer'. Alles kan per dag verschillen.”

De ervaren Vergouwen oordeelt dat in Nederland maar weinig echte topsporters zijn. “Voor topsport moet je een strak leefregime aankunnen. Het eist zo onvoorstelbaar veel van je. Ik hoor verhalen over topsporters die bij feesten en partijen worden gesignaleerd. Dat zou je met Dieter Baumann (de Duitse olympisch- en Europees kampioen 5.000 meter hardlopen, red) nooit meemaken. Die is tüchtig, enorm. De beste topsporter zorgt ook het beste voor zijn lijf.”

Het kan volgens de dokter geen toeval zijn dat van veel Nederlandse talenten die in de jeugd internationale successen hebben behaald, later weinig meer wordt gehoord. “Een jeugdkampioen van Zuid-Oost-Gelderland wordt uitgebreid gefêteerd en in de watten gelegd door zijn ouders en omgeving. Dat is verkeerd. Want hij heeft in topsporttermen nog niets gepresteerd. Maar hij denkt wel dat hij er al is.”

Vergouwen heeft met enthousiasme vernomen hoe men in Noorwegen succes heeft met het topsportbeleid. Daar trainen de sporters onder deskundige begeleiding met elkaar en stuwen elkaar op naar medailles. “Dat is precies mijn ervaring. Een topsporter revalideert altijd beter als hij dat samen met een paar collega's doet.” Mede daarom is Vergouwen voor het centraliseren van de Nederlandse topsport. “Zijn we vergeten dat wat ze in Noorwegen doen ook hier zou kunnen? Een combinatie AZU en Papendal is zo slecht nog niet.”

De arts laat doorschemeren dat hij vindt dat bij het NOC*NSF te weinig met zijn adviezen en voorstellen wordt gedaan. Maar verder houdt hij daarover zijn mond. Uit het feit dat hij al vijf jaar geleden zo'n constructie als nu met het AZU voorstelde blijkt echter dat het in zijn ogen te lang heeft geduurd. “Ik heb het idee”, zegt schermster Pernette Osinga van de atletencommissie, “dat Peter zou zijn vertrokken als het niet was doorgegaan met het AZU.” De atleten hebben zich ingezet om de topsportarts in Utrecht te krijgen. “Peter krijgt nu rust. Hij hoeft zich niet meer met allerlei bestuurders te bemoeien.”

Osinga is vol lof over Vergouwen. “Hij heeft veel aandacht voor de sporter, staat altijd klaar voor je. Dat geeft je zelfvertrouwen. Soms heb je weleens het idee dat hij overbezorgd is, maar naderhand blijkt dan dat hij toch gelijk had.”

Vergouwen heeft grote plannen in het AZU. Hij wil “het donkere gat induiken”, oftewel wetenschappelijk onderzoek gaan verrichten. “Ik wil veel meer te weten komen over topsporters. Dan kunnen we ze veel beter adviseren.” Hij hoopt sporters ook te kunnen zien als ze niet geblesseerd zijn en zo via regelmatige lichamelijke onderzoeken en bloedtesten hun gesteldheid meten. “Dat is eigenlijk de essentie van topsportbegeleiding. In het oude Oostblok zaten de medici de hele dag naast de sporters.” Of er straks in Nederland geld voor directere begeleiding zal zijn weet Vergouwen nog niet.

Een blessuregevoelige Ellen van Langen is het voorbeeld van een topsportster die er baat bij heeft om zich zeer regelmatig door Vergouwen te laten onderzoeken. De dokter heeft de atlete laatst ook gevraagd hem “die kans te geven”. “Ellen is een teer poppetje”, typeert Vergouwen de olympisch kampioene. Hij weet ook wat een fitte Van Langen kan. “Ze is zó explosief. Elke pas is zó raak. Iemand die met zo weinig training zo hard kan lopen is een geweldig talent. Daar heb je er niet veel van.”

Vergouwen zegt bij het US Open te hebben genoten van de houding van een andere Nederlandse topsporter, Krajicek. “De terugval die hij daar had was voorspeld. Dat hadden we ook doorgesproken. Het bestaat niet dat iemand die al drie, vier jaar klachten heeft en pas sinds februari fit is meteen zijn oude niveau terugkrijgt en ook vasthoudt. De mensen vergeten wat topsport is. Krajicek wordt ongerust gemaakt door zijn omgeving, journalisten en toeschouwers. En dan vind ik het grote klasse dat Kraai temidden van al die onruststokers zegt niet ongerust te zijn.”

Vergouwen stopt al jaren zijn ziel en zaligheid in het genezen van de topsporter. Soms wordt het hem allemaal weleens te veel. Hij heeft zijn grens bereikt, bekent hij. “De Nederlandse topsporter is veeleisend. Als hij vandaag wordt geprikt, belt hij morgenochtend al op voor de uitslag én advies.” Toch overheerst nog steeds het plezier. “Als ik met sporters bezig ben voel ik me meestal heel prettig. Ik begrijp ze en zij begrijpen mij.”

Tot slot, een sportmedicus niet naar doping vragen kan niet. “Als een goede sportarts kan je daar niet op reageren”, is het antwoord van Vergouwen. “Want zeg je wat en leg je het goed uit dan weet je er te veel van en ben je meteen een dopingarts. Zeg je niets of draai je er omheen, dan ben je een hypocriete lul. Dus is de enige oplossing te glimlachen en geen woord uit te kramen.”