Stroomsector: meer wedijver met behoud van coördinatie

DEN HAAG, 10 SEPT. Concurrentie moet bij de produktie en distributie van elektriciteit een veel grotere rol gaan spelen. Maar tegelijk is behoud van een landelijke samenwerking en onderlinge afstemming bij de bouw en exploitatie van centrales, en bij de import en export van stroom essentieel om de kosten voor de afnemers zo laag mogelijk te houden.

Dit heeft de elektriciteitssector (producenten en distributiebedrijven) vastgelegd in een principe-akkoord dat gisteren is bekendgemaakt en ter goedkeuring aan de minister van economische zaken is voorgelegd. Het akkoord is gebaseerd op een advies van het organisatiebureau McKinsey. Overeengekomen is een aantal ingrijpende wijzigingen in het systeem van de stroomvoorziening door te voeren, waardoor op korte termijn het probleem van de dreigende overcapaciteit in de produktie wordt aangepakt en op langere termijn financiële prikkels worden ingebouwd om de concurrentie te verhogen en kosten te besparen.

Vanaf 1 januari 1995 worden alle leveranties van stroom in contracten vastgelegd. Dat betekent dat voor het vermogen van elke nieuw te bouwen centrale eerst afzetcontracten moeten worden afgesloten. Verder wordt de tariefstructuur aangepast. Het 'teruglevertarief' voor de stroom die kleinere, niet centraal beheerde centrales over hebben, en die aan het landelijke stroomnet wordt geleverd, gaat omlaag. Tegelijk rekent de sector op afschaffing of drastische verlaging van de overheidssubsidie op warmte/krachtcentrales, omdat het regeerakkoord voorschrijft dat minister Weijers fors op de energiesubsidies moet inleveren.

Deze maatregelen zullen er samen toe leiden dat de ongebreidelde nieuwbouw van kleinere warme/krachtcentrales wordt getemperd. Die centrales worden nu veelal in samenwerking met industriële grootverbruikers en regionale distributiebedrijven (GEB's) gebouwd, aangemoedigd door de subsidie van 25 procent op de investeringskosten èn de terugleververgoeding die uiteenloopt van 6,5 tot 13,3 cent per kilowattuur. Daardoor wordt een belangrijk deel van de kosten afgewenteld op alle afnemers van stroom in Nederland. Zonder wijzigingen zou er tegen de eeuwwisseling een overschot in het Nederlandse produktievermogen van enkele duizenden megawatt ontstaan.

Voor de langere termijn stelt de sector voor om alle afnemers van stroom een grotere keuzevrijheid te verlenen: ze moeten overal zo voordelig mogelijk kunnen inkopen en krijgen toegang tot de leidingnetten. Tegen een redelijk tarief moet de elders ingekochte stroom dan worden getransporteerd. Tegelijkertijd komt er een onafhankelijke 'Gezamenlijke stroomhandelaar' die de elektriciteit van de produktiebedrijven in Nederland inkoopt en zonodig ook importeert. Afnamecontracten worden zo veel mogelijk met deze instelling, die borg staat voor behoud van het schaalvoordeel in de sector, afgesloten.