Lelietje

Johan heeft, niet eens zo gek ver hiervandaan, een plantje geplukt, een Lloydia serotina, maar dat weet hij nog niet. Familie van het lelietje-van-dalen, dat is duidelijk en vooralsnog het enige.

Samen met Iris en Lisette buigt hij zich over zijn beproefde alpenflora. Daar gaat het over de stengel (al dan niet behaard), de bladeren (tegenoverstaand of juist niet), de meeldraden en het bloempje zelf.

Het lamplicht valt gedienstig op tafel, de afbeeldingen in het boek, de dingen die daarover worden gezegd. Hun stemmen, eendrachtig op zoek naar de waarheid, komen zachtjes door de openslaande deur.

De hond zit op een hoek van het balkon. Peinzend tuurt hij door de spijlen heen het donker in.

Ergens klingelt de bel van een koe.

Ergens jaagt een vleermuis op zijn schim.

En ergens zit ikzelf. Ik rook een traag sigaartje en ik wrijf mijn zere knieën warm. Ik verheug mij over het vermogen van mensen om onbelangrijke dingen te doen, om zich over te geven aan bezigheden zonder hoger doel of groot gewicht.

Ik bedoel: geloof, hoop en liefde, maar het meeste van deze is de liefde en als er één reden is om daarin te geloven, daarop te hopen, is het toch wel hierom.