INBURGEREN OF BARSTEN; Legale buitenlanders krijgen Nederlandse cultuur bijgebracht

Van legale buitenlanders in Nederland wordt steeds vaker verwacht dat ze zich aanpassen. Sinds 1990 wordt met 'Bureau's Nieuwkomers' geëxperimenteerd, waar 'Nederlandkunde' wordt gegeven. Ook schaatsen en zwemmen? Portret van een groeisector: Nieuw in Nederland, maar niet meer vrijblijvend.

Hondedrollen, fietspaden en gepavoiseerde molens, ja, die krijg je als je mensen die pas in Nederland wonen, vraagt hun nieuwe omgeving te fotograferen. Maar er waren ook cursisten van het Project Integratie Nieuwkomers in Rotterdam die zich verbaasden over de kunstwerken die hier op straat staan. Anderen brachten met hun camera een ode aan de woeste Hollandse wolkenluchten en waterpartijen, één knipte en plakte net zo lang tot er de seksboetiek naast de moskee stond. Maar de eerste prijs ging naar de foto die M. Amouch maakte van een bontgeschilderde fiets die aan een lantaarnpaal hangt.

Het Project Integratie Nieuwkomers (PIN) in Rotterdam is een van de inmiddels tientallen bureaus die gemeenten in het hele land de laatste paar jaar hebben opgericht om nieuwe migranten snel te laten inburgeren. Volwassen legale 'nieuwkomers', vooral uit traditionele immigratielanden als Turkije, Marokko, Suriname, de Antillen en Aruba kunnen er terecht om een taalcursus te volgen en wegwijs te raken in de Nederlandse zeden en gewoonten. Ook wordt er hulp bij het kiezen van een opleiding en het zoeken van werk geboden. Steeds meer maken ook ex-asielzoekers en door de regering uitgenodigde vluchtelingen gebruik van deze voorzieningen.

Al in de jaren vijftig konden bioscoopbezoekers in het Polygoon-journaal zien hoe echtgenotes van oud-KNIL militairen werd bijgebracht hoe een Hollandse aardappel geschild dient te worden - niet met het mes van je af, maar met het mes naar je toe. Later werden dergelijke instructies paternalistisch bevonden; wie de buitenlandse buurman uitlegde dat de vuilniszak op de dag dat de vuilnisman kwam buiten gezet diende te worden, en niet drie dagen eerder van zes hoog naar beneden gegooid, had geen respect voor andermans cultuur.

Maar mede door de opkomst van extreem-rechts midden jaren tachtig begon de pendule terug te zwaaien. Een keerpunt was het rapport 'Allochtonenbeleid' dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in 1989 uitbracht. De WRR waarschuwde voor een 'etnisch subproletariaat', een term die insloeg als een bom, en bepleitte een 'basiseducatieplicht' voor volwassen buitenlanders met een uitkering. Onderwijs in eigen taal en cultuur voor kinderen moest voortaan maar buiten schooltijd worden gegeven. Het aannemen van illegale werknemers moest beter worden bestreden.

Om interculturele wrevel te voorkomen voerden diverse woningbouwverenigingen in de Randstad vorig jaar een hedendaagse variant in van het Molukse aardappelen schillen: het 'portiekgesprek'. In buurten met veel buitenlanders organiseren 'portiek-werkers' gesprekken over de mores van het wonen (“in Nederland blijven schoenen niet voor deuren staan”). De laatste steen in de vijver is het rapport van de hoogleraren Entzinger - mede-samensteller van het WRR-rapport uit 1989 - en Van der Zwan dat deze zomer verscheen. Zij bepleiten een verplicht driejarig 'inburgeringstraject' van scholing en arbeid, waarbij bedrijven moet worden toegestaan minder dan het minimumloon te betalen.

Bij wijze van antwoord zette het ministerie van welzijn in 1990 in drie gemeenten experimentele bureaus voor nieuwkomers op. In 1992 waren dat er al achttien. Het ministerie gaat ervan uit dat zich dit jaar zo'n 25.000 volwassen legale immigranten in Nederland zullen vestigen. Sinds november vorig jaar is er een nieuwkomersbeleid, waar dit jaar 32 miljoen gulden voor beschikbaar is en volgend jaar 36 miljoen. “En dat in een tijd van bezuinigingen!” zegt Wil van der Steuyt van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). “De bereidheid te investeren markeert een omslag in het denken naar een zakelijker benadering. Het gaat om een preventief beleid, waarbij we migranten niet meer doodknuffelen maar leren de vis zelf te vangen. Door nu te investeren zullen zij later een minder beroep op de instanties doen en betere verhoudingen met hun Nederlandse omgeving kunnen onderhouden. Daar zijn we van overtuigd.”

Het Sociaal en Cultureel Planbureau voorspelde deze week in zijn tweejaarlijkse rapport dat de migratie naar Nederland zal blijven toenemen. Is nu 7,6 procent van de bevolking van allochtone herkomst, in 2010 zal dat vijftien procent zijn. In de drie grootste steden zal de bevolking dan voor bijna de helft uit allochtonen bestaan. De klandizie voor de bureaus voor nieuwkomers wordt dus alleen maar groter - in 1996 moeten àlle nieuwkomers zo'n inburgeringscursus kunnen volgen.

De bereidheid van de nieuwe migranten van nu om al cursussen te volgen is groot. “Dit is een andere generatie dan die van de gastarbeiders uit de jaren zestig,” meent Van der Steuyt. “Toen dacht men: een paar jaar geld verdienen en dan terug. Maar deze mensen komen om hier een leven op te bouwen.”

Rooskleurig

In Rotterdam-Hillendijk komt sinds vorige week een groep van tien Turkse mannen en tien vrouwen elke ochtend bij elkaar in een propvol schoollokaal voor een cursus Nederlands van vier weken. Af en toe drijven herkenbare woorden voorbij: gemeente, bijvoorbeeld, en diploma, maar ook herfst.

Emel Kayabal (18) - zonder hoofddoek - is vier maanden geleden naar Nederland gekomen om te trouwen; ze wil na de cursus een beroepsopleiding volgen en werk zoeken. De docent vertaalt haar voorstelling van Nederland: een mooi land, aardige mensen die buitenlanders goed behandelen. Dat vond de in Nederland geboren vrouw van Mustafa Islek (26) ook. Maar weten ze dat er hier behalve aardigheid, ook discriminatie is? De wenkbrauwen fronsen. Ibrahim Memis (26), die met een Nederlandse is getrouwd: “Ik denk daar nooit aan. In de bioscoop, in het park, is er nooit iemand die tegen mij zegt: hé, jij Turk.” De anderen knikken instemmend: Nederland is zó, duimen omhoog.

Russel Isenia (52), 'trajectbegeleider' voor Antillianen in Tilburg, vindt het belangrijk om zijn cliënten voor desillusie te behoeden. “Antillianen halen hun informatie uit brieven van familie en vrienden die hier wonen, en die stellen de zaak altijd mooier voor dan hij is. Zeker op het gebied van werk hebben ze een rooskleurige voorstelling. Komt er een man bij mij met LTS-metselen, maar heeft hij in de tropen ooit met isolatiemateriaal gewerkt? Je kunt mensen niet hun hoop ontnemen, je moet ze er ook iets voor teruggeven, bijvoorbeeld een voorstel voor een opleiding of een beroepskeuzetest.” De bureaus in Tilburg en Rotterdam overwegen een filiaal op Curaçao te openen om mensen vóór hun vertrek naar Nederland beter te informeren.

Eind vorig jaar waren er al dertig bureaus; dit jaar waren er bijna tachtig subsidie-aanvragen, bijna allemaal van combinaties van gemeenten, in totaal 232. Ze zijn ook bereid te investeren. Toen Rotterdam in 1991, in de experimentele fase, 2 ton van het ministerie kreeg legde de raad daar direct 3,5 ton naast. Tilburg wil de wachttijden voor de taalcursussen verkorten door er volgend jaar 7,5 ton meer aan te besteden. Het staat de gemeenten vrij de cursussen naar eigen goeddunken in te richten: eerst taal en dan 'Nederlandkunde', of andersom, of tegelijkertijd.

Maar wat is Nederlandkunde? In het schoolgebouw in Rotterdam-Hillendijk voert docent Erwin Kotzebue samen met conciërge Romeo een rollenspel op. “Trrring!” zegt Erwin. Romeo: “Goedemorgen, met het Albeda-college.” Volgt een zeer netjes geformuleerde ziekmelding. “Ik zal het doorgeven.” “Als u dat zou willen doen, graag. Met wie heb ik gesproken?” Kotzebue: “Het gaat vaak om kleine dingen: niet met hello opnemen maar met je naam, vragen met wie je hebt gesproken. Mensen leren hier ook het openbaar vervoer gebruiken. Als je uit de Antillen komt dan weet je niet wat een perron is, of een loket, of een spoorboekje, laat staan dat iedere bushalte een naam heeft of hoe je moet uitvogelen hoeveel strippen je moet afstempelen.”

Het 'Tekstboek voor nieuwkomers' dat in Rotterdam wordt gebruikt, bevat wel 57 soms omzichtig geformuleerde hoofdstukjes over de Nederlandse samenleving: over gemeentelijke diensten bijvoorbeeld, maar ook over de Koningin. Boodschappen doen komt aan de orde, net als de media, vrijetijdsbesteding (“Bij een avondje stappen is alcohol niet verplicht, al lijkt het er soms op”) en de verhouding tussen de seksen (“Sommigen denken dat in Nederland de vrouwen de baas zijn, maar dat is waarschijnlijk niet juist”). Leren nieuwkomers ook fietsen? “Daar wordt over gepraat,” zegt Breukels, “maar persoonlijk vind ik het belangrijker dat mensen die net in Nederland zijn eerst leren zwemmen.”

Aanwas

De aantallen nieuwkomers verschillen sterk van plaats tot plaats. Rotterdam verwacht dit jaar in totaal zo'n 3200 nieuwkomers aan het bureau te krijgen, Tilburg 180. “Dat zijn er al twee keer zo veel als het eerste jaar,” aldus directeur Jos van Gerven (39) van het Bureau Nieuwkomers in Tilburg, dat samen met PIN in Rotterdam tot de vroegste experimenten behoorde. In Rotterdam is de aanwas ook veel groter dan verwacht. Directeur Johan Breukels (47): “Vorig jaar verwachtten we duizend mensen en het werden er 2300; dit jaar was ons streefgetal tweeduizend en worden het er waarschijnlijk 3200. Ze komen al voordat ze zijn uitgenodigd.”

Wel verandert de samenstelling van het cliëntenbestand. Breukels: “In april is er een wetswijziging geweest, waardoor het aantal mensen uit traditionele immigratielanden dat hierheen komt voor gezinsvorming en -hereniging afneemt - althans op papier. Daar staat tegenover dat het aantal ex-asielzoekers en uitgenodigde vluchtelingen toeneemt. In de vier jaar dat het PIN bestaat zijn vreemdelingen uit Somalië, Eritrea, Iran, Irak en uiteraard ex-Joegoslavië de helft van het cliëntenbestand gaan uitmaken.” Het stelt zware eisen aan de bureaus voor nieuwkomers: veel meer nationaliteiten, kleinere en meer uiteenlopende groepen. Volgende week begint het PIN met een nieuw introductieprogramma, in het Somalisch.

In Tilburg beginnen deze maand cursussen voor vluchtelingen, maar directeur Van Gerven heeft nog bedenkingen. “De motivatie van vluchtelingen kan heel anders zijn. Voor de gewone nieuwkomers is het van groot belang om zo snel mogelijk na aankomst in Nederland aan de taalcursus en de maatschappelijke oriëntatie te beginnen, maar het is nog maar de vraag of vluchtelingen die net uit een oorlogssituatie komen, daarvoor open staan. Misschien weten ze nog niet of ze hier wel wortel willen schieten.”

In een noodgebouw onder het spoorviaduct bij station Zuidplein in Rotterdam houdt PIN-consulent Jadranka van de Kuilen kantoor. Zij verliet Joegoslavië twintig jaar geleden om met een Nederlander te trouwen. Nu ontvangt ze aan de lopende band voormalige landgenoten - bien etonnés de se trouver ensemble. Vanmiddag is de eerste cliënt een Bosnische moslim, een jonge metaalarbeider. Hij heeft zich al ingeschreven voor een cursus Nederlands voor twee dagen in de week. Jadranka stuurt hem naar het arbeidsbureau - “ik heb hem wel gewaarschuwd dat er hier weinig werk is in de metaal” - en naar de gemeente voor een urgentieverklaring. Wat hij van het PIN verwacht? Verlegen lachje, hij haalt zijn schouders op. Wat hij zich van Nederland voorstelt? Weer dat lachje. “Ik moest toch ergens heen. Het was daar goed, maar er is niets van over. Hoe het hier zal gaan, weet ik niet.” Dan komt er een struise, opgewekte vrouw uit Sarajevo. Jadranka is bijna een half uur bezig om voor haar een eenvoudige adreswijziging aan de Belastingdienst door te geven. De uitdrukking 'heeft u nog een ogenblikje' kent de vrouw al. “Schrijft u dit alstublieft voor me op,” zegt ze. “Jadranka is altijd zo behulpzaam, ze zegt altijd aardige woorden, ook als ik hier een beetje crazy van de stress binnenkom. She is our connection with the other side of the world.”

Fuik

Alle taalvaardigheid, maatschappij-oriëntatie, opleidingen, bemiddelingen en beroepskeuzetests ten spijt, het nieuwkomersbeleid kan geen banen scheppen. Zeker voor laagopgeleide allochtonen is er weinig werk, steeds minder zelfs. Toch verklaart Wil van der Steuyt (VWS) stellig, dat het nieuwkomersbeleid géén doekje voor het bloeden is. “Een nieuwkomer die weet hoe men in Nederland bij elkaar op visite gaat, wat 5 december voor een dag is, hoe de kinderbijslag en het ziekenfonds werken - dat is nuttige informatie om zich hier te redden. Ook als het niet lukt met werk, ook als het om analfabete Marokkaanse vrouwen gaat die thuis voor de kinderen zorgen. Je moet zelf boodschappen kunnen doen, lid worden van de visvereniging of je woordje doen in de Ouderraad van de school.”

Het komt ook voor dat het gebrek aan werk, in combinatie met organisatorische kinderziektes, tot teleurstelling leiden. Egyptenaar Aiman Tawfik en zijn Nederlandse vrouw Monique hadden na het lezen van de brochure van het bureau in Amsterdam hoge verwachtingen, maar voelden zich vergeten en van het kastje naar de muur gestuurd. “Ik kwam hier in juni vorig jaar wonen en had zelf in juli al een cursus Nederlands gevonden,” zegt hij. “Op het Bureau Nieuwkomers zeiden ze: nee, dat moet u niet doen, wacht maar op een oproep van ons. We belden steeds, maar dan wisten ze niet wanneer de cursus zou beginnen, dan weer niet wáár. En omdat ik de taalcursus nog niet had gedaan, kreeg ik bij het Arbeidsbureau het etiket 'onbemiddelbaar'. Toen ik kwam melden dat ik een parttime baan in de keuken van een Thais restaurant had gevonden, mocht ik die van het Arbeidsbureau niet nemen, ik was immers onbemiddelbaar. Pas in februari kon ik met de taalcursus beginnen. Bij de eerste les bleken mijn papieren zoek, maar even later kreeg ik er twéé plaatsen toegewezen.” Monique: “Het was allemaal veel sneller gegaan als we het gewoon zelf hadden geregeld. Als we niet kwaad waren geworden, hadden ze ons gewoon vergeten. Veel mensen zetten dan ook niet door. Een jongen uit die cursus staat nu drugs op de Dam te verkopen.”

Aiman: “Ik kreeg regelmatig werk aangeboden, duizend gulden in de maand zwart. Maar als ze horen dat ik verblijfspapieren heb, is er plotseling geen werk meer. De illegalen pikken alle baantjes in.” Inmiddels heeft Aiman via een Nederlandse kennis een baan gevonden bij een deurenfabriek in Someren, bij Eindhoven. In ploegendienst, dat wel, maar hij spreekt de hele dag Nederlands en de baas is zeer tevreden over hem. Nadeel is dat hij en Monique elkaar alleen in de weekends zien.

Schaatsen

Entzinger en Van der Zwan hebben het onomwonden over een verplicht 'inburgeringstraject' van drie jaar, maar lang niet iedereen staat daarachter. Jos van Gerven ergert zich aan wat hij noemt 'geschreeuw in holle vaten'. “Het is hypocriet om iemand te verplichten een cursus te volgen zolang er wachtlijsten zijn. In de tweede plaats is het eenvoudigweg niet nodig, want de nieuwkomers zijn zelf enthousiast genoeg.” De discussie is überhaupt onzinnig zolang er geen sancties zijn, zegt hij. “Over het algemeen is de enige sanctie die je hebt, de uitkering. Maar van alle nieuwkomers heeft slechts de helft een uitkering, de andere helft verdient zijn eigen brood of wordt door familie onderhouden.”

Johan Breukels voelt dat er toch een verplichting aan zit te komen. “Sinds februari zijn mensen in Rotterdam verplicht zich eerst hier in te schrijven voordat ze een uitkering kunnen aanvragen. Maar zonder die sanctie wordt het wel moeilijk. Entzinger en Van der Zwan spreken over uitzetting van mensen die niet inburgerd raken. Maar wie bepaalt dat, en aan de hand waarvan?”

Een acceptgiro invullen, een gesprek met de huisarts of onderwijzer voeren - dat is het soort inburgering waar de Bureaus Nieuwkomers in eerste instantie op aan sturen. Dat er althans een zekere saamhorigheid ontstaat, blijkt aan het eind van de cursussen wanneer de deelnemers vaak gezamenlijk een feest organiseren. Zo is er in Tilburg bij de uitreiking van de certificaten een modeshow gehouden, en begin dit jaar gingen de cursisten, alle nationaliteiten door elkaar, gezellig samen schaatsen. Maar de echtgenoot van een Marokkaanse deelneemster zag er de lol niet van in: was dát nou integratie, dat zijn vrouw met vreemde mannen op de ijsbaan pret ging maken? Hij ging nu maar een èchte taalcursus voor haar zoeken.