Houwen en steken in de Bronstijd

R. Drews: The End of the Bronze Age. Changes in warfare and the catastrophe ca. 1200 B.C. 252 blz., Princeton University Press 1993, ƒ 77,50

De Late Bronstijd in het oostelijke Middellandse-Zeegebied was de periode van ongeveer 1600 tot 1200 v.C. en een bloeitijd in de geschiedenis van de hele regio. Het was niet alleen de tijd van de Myceense beschaving in Griekenland, maar ook van het Nieuwe Rijk in Egypte (18de-20ste dynastie) en van het grote Hittietenrijk in Klein-Azië. Egyptenaren en Hittieten hielden elkaar militair ongeveer in evenwicht en hadden de vele staatjes aan de oostrand van de Middellandse Zee als vazallen onder elkaar verdeeld: Syrië voor de Hittietenkoning, Palestina voor de farao. Handelsverkeer, diplomatieke betrekkingen, vorstenhuwelijken verbonden deze staten met elkaar en met de verder oostwaarts gelegen koninkrijken van Assyrië en Babylonië. Het waren zeer hiërarchische maatschappijen waarin de koning en het hof hoog uitstaken boven hun directe vazallen en dienaren, de strijdwagenstrijders en andere troepen, en deze elite op haar beurt weer ver verheven was boven de rest van de bevolking.

Brons was het materiaal bij uitstek voor wapens en verscheidene werktuigen, ijzer was nog nagenoeg onbekend. Het was in militair opzicht de grote tijd van de strijdwagen. Bij honderden en in de legers van de belangrijkste staten bij duizenden tegelijk konden de lichte, tweewielige, door twee paarden getrokken karretjes 's zomers uitzwermen over de droge vlakten van Voor-Azië wanneer daar een koning op campagne ging. De boogschutter in de wagenbak verhoogde nog het effect van dit snelheids- en afstandswapen. Zo liet ook de farao zich graag vereeuwigen, staande in zijn strijdwagen, de machtige boog gespannen en zijn vijanden verpletterend. De koningen die in Griekenland in verschillende staatjes regeerden onderhielden op hun beurt korpsen van een paar honderd strijdwagens. Het was een wereld van glamour en bravoure, die wel een diepe indruk moest maken op de onmachtige, eenvoudige onderdanen en op de arme en barbaarse bevolkingen over de grenzen. Totdat deze wereld plotseling ineenstortte.

Kort voor 1200 v.C. begon een catastrofe die in een tijdsbestek van hooguit dertig of veertig jaar op gewelddadige wijze een einde maakte aan de meeste centra in Griekenland, het Hittietenrijk, Syrië en Palestina. In dezelfde tijd vermelden Egyptische bronnen de met moeite door de farao's Merneptah en Ramses III afgeslagen aanvallen van de Libiers en de Philistijnen, in bondgenootschap met allerlei volken uit 'de noordelijke landen', een frase die sinds de 19de eeuw wordt vertaald met 'Zeevolken'. In dezelfde tijd viel de hoofdstad van de Hittieten aan anonieme verwoesters en plunderaars ten prooi, en eenzelfde lot trof talrijke andere steden en paleizen, die van het Myceense Griekenland inbegrepen. Het betekende het einde van een tijdperk. Het grote rijk van de Hittieten hield op te bestaan, in Syrië en Palestina verschenen nieuwe volken als de Arameeën en de Hebreeën, en in Egypte begon na de bloeitijd van het Nieuwe Rijk een lange periode van verval. In Griekenland brak een tijd van armoede, ontvolking en algehele culturele teruggang aan waarvan de benaming Dark Age niet toevallig vergelijkingen oproept met de Duistere Eeuwen na de ondergang van het Westromeinse Rijk in Europa.

Hypothesen

Aan hypothesen over wat er misging heeft het niet ontbroken. Zoals in het geval van het Westromeinse Rijk zijn er diverse factoren en oorzaken naar voren gebracht, zowel menselijke als buitenmenselijke. Tot die laatste behoren dramatische klimaatsveranderingen en vulkanische catastrofen, natuurrampen die dan als katalysatoren zouden hebben gewerkt voor de 'horden' die uiteindelijk het verwoestingswerk afmaakten.

Maar historici voelen zich meestal onbehaaglijk wanneer a-historische krachten te hulp geroepen worden om de gang der geschiedenis te verklaren. Liever zoeken zij de verklaring voor de ondergang in de interne verhoudingen van de betrokken maatschappijen - al was het maar omdat zij daarover dank zij de teksten iets meer menen te weten. Een combinatie van interne 'verzwakking', waardoor ook veroorzaakt, en externe agressie moet dan dikwijls het antwoord opleveren op de vraag hoe een hele cultuurwereld zo plotseling ineen kon storten. Het is dezelfde combinatie van factoren die in diverse schakeringen meestal ter verklaring van de val van het Westromeinse Rijk wordt opgevoerd. Dat gaat met veel geleerdheid gepaard en met belangrijke inzichten. Maar de directe overtuiging, de bekende schok der herkenning, of zelfs maar de prikkeling van de fantasie blijven daarbij toch vaak uit.

Wie dat na mocht streven moet haast wel naar een monocausale verklaring zoeken. Daarbij komt de wederopleving van de militaire geschiedenis in de laatste jaren sommige historici te hulp. Zo is er nu de Amerikaan Robert Drews die The End of the Bronze Age wil verklaren uit militaire factoren.

Bijna de helft van zijn werk besteedt de auteur aan het afbreken van alle theorieën die tot dusverre met betrekking tot de ondergang van de Late Bronstijd-beschavingen naar voren zijn gebracht. Gezegd mag worden dat die kritiek over het algemeen heilzaam werkt. Het doet de lezer weer beseffen hoe weinig wij eigenlijk weten van de wereld van Mycene en van al die andere staten en hun meer en minder beschaafde buren. Het maakt natuurlijk ook nieuwsgierig naar de nieuwe verklaring die vervolgens in ruim honderd pagina's uiteengezet wordt. Die is verrassend in haar eenvoud.

De staten van de Late Bronstijd steunden op strijdwagens; in hun onderlinge oorlogen speelde infanterie een ondergeschikte en passieve rol (cavalerie bestond nog niet). In het Egyptische leger was die infanterie bewapend met speren of lange metalen staven en korte steekwapens en vocht zij vermoedelijk in gelid. Maar in oorlogen tussen de legers van de Bronstijd-staten werd de eigenlijke slag uitgevochten door de korpsen van strijdwagens met hun boogschutters. Dit ging goed, zolang men met dezelfde tegenstanders te maken had. Maar een nieuw wapen, geïntroduceerd door vreemdelingen, bracht hierin radicaal verandering: het zwaard, of liever: het houw-en-steek-zwaard, omdat korte, alleen voor steken bedoelde zwaarden al bekend waren.

Het gaat hier om het zwaard van het type dat bij de archeologen bekend staat als Naue II met een bronzen kling van 70 tot ruim 90 cm, geschikt als steek- en als slagwapen. Het laatste maakte de strijder die het hanteerde tot een gevaarlijke tegenstander van elke infanterie en óók van de strijdwagenstrijders op hun lichte wagentjes als die binnen het bereik van de zwaardvechters kwamen. Het betekende het einde van de militaire hegemonie van de strijdwagens en de terugkeer van de infanterie als de 'koningin van het slagveld'.

Het is zeker dat dit zwaard zijn oorsprong had in Midden-Europa, waar met name in Oostenrijk, Hongarije en op de Balkan, verreweg de meeste èn de oudste exemplaren zijn gevonden. In Voor-Azië werden er enkele geproduceerd in Oegarit vlak voor de val van de stad, terwijl het kort voor 1200 ook in Egypte bekend raakte. Dit wapen moet hier doorgedrongen zijn in de handen van min of meer barbaarse huursoldaten. Hun effectiviteit tegen onder andere de strijdwagens van de tegenstanders maakte hen tot begeerde hulptroepen, voor wie naast buit en avontuur vermoedelijk ook beloningen in de vorm van land waren weggelegd.

Zo lijkt zich een patroon af te tekenen: barbaarse zwaardvechters werden aangelokt door de rijkdommen van de Bronstijd-beschavingen in het oostelijke Middellandse-Zeegebied. Eenmaal doordrongen van hun superioriteit tegenover de inheemse door strijdwagens gedomineerde legers durfden zij ook verder te gaan en tenslotte waren het tijdelijke coalities van zulke plunderaars en avonturiers uit Sardinië, Sicilië, de Balkan en Klein-Azië die kort na 1200 de meeste beschavingscentra van de Late Bronstijd verwoestten en daarmee aan een historische periode een einde maakten.

Barbaren

Dit is, kort samengevat, een verleidelijke reconstructie. Maar ze kan bij nader inzien toch niet overtuigen. Hoewel Drews de migratie-hypothesen heeft afgewezen, komt hijzelf op een vorm van migratie uit, in de gedaante van grootscheepse raids van barbaren uit de eilanden in het westen en uit Europa. Daarbij aanvaardt hij onder meer de gangbare identificatie van de Shardana met de naam van het eiland Sardinië en van de Shekelesh met Sicilië, maar neemt hij aan dat deze mensen van die eilanden afkomstig waren, en niet, zoals de meeste onderzoekers doen, dat zij zich daar ná de catastrofe van 1200 vestigden om vervolgens hun namen aan die eilanden te geven.

Dit is puur hypothetisch en lijkt vooralsnog niet erg aannemelijk. Want een andere in Egyptische bronnen genoemde volksnaam, de Lukka, wordt met Lycië en dus Klein-Azië in verband gebracht: Drews' reconstructie veronderstelt een coördinatie in de acties van barbaarse stammen uit praktisch het hele Middellandse-Zeegebied die op voorhand niet waarschijnlijk is.

Misschien wordt het tijd niet alleen de hele migratie-hypothese, maar ook de gevestigde identificaties van al deze volksnamen aan een kritische beschouwing te onderwerpen. Het is verder ook zeer de vraag of alle barbaarse aanvallers op grote schaal met de nieuwe zwaarden waren uitgerust; van de Arameeën en andere Semitische stammen, of van de verwoesters van de Hittietenhoofdstad in het noorden van Klein-Azië lijkt dat niet erg waarschijnlijk.

Belangrijker is nog het volgende. Volgens Drews valt het einde van de Bronstijd in dit gebied samen met The End of chariot warfare (de titel van zijn laatste hoofdstuk). Maar in Egypte en Voor-Azië komt er aan het gebruik van de strijdwagens nog helemaal geen einde na 1200. Wel verliest de strijdwagen in Voor-Azië relatief aan belang, maar dit is niet toe te schrijven aan de verschijning van een nieuw type zwaardvechters, maar aan de opkomst van de cavalerie die geleidelijk de functie van de strijdwagens overneemt.

Of de infanterie inderdaad zo'n ondergeschikte rol speelde tijdens de Late Bronstijd staat trouwens ook nog te bezien. We hebben eenvoudig te weinig betrouwbare gegevens om daar zulke algemene uitspraken over te doen. In elk geval bestond de infanterie in het eerste millennium v.C. uit met speren bewapende en in gelid opererende troepen (zoals de Griekse phalanx), of uit lichtgewapende boogschutters en slingeraars. Hoe wijd verbreid het gebruik van het Naue II-zwaard in werkelijkheid was, weten wij eigenlijk niet, maar de speer was altijd een veel algemener wapen dan het zwaard. De hele reconstructie lijkt op een wankele basis te berusten.

Drews is een historicus die al vaker bewezen heeft de controverse niet te schuwen en dat is een prijzenswaardige eigenschap. Dit boek biedt in elk geval een uitstekend overzicht van wat er aan theorieën over het einde van de Bronstijd geopperd is, en de in militaire geschiedenis geïnteresseerde flink wat stof tot nadenken. Het levert en passant fraaie en overtuigende beschrijvingen van de realiteit van de strijdwagenoorlog in de botsingen tussen Hittieten en Egyptenaren. Hoe deze hele heroïsche wereld in werkelijkheid aan haar einde kwam, blijft voorlopig toch een raadsel.