Hoe moet het eigenlijk; Omgang met buren

Morgen zal ik aanbellen bij de buren en mij voorstellen als hun nieuwe buurman. Dat klinkt eenvoudiger dan het is. De kunst van het kennismaken is een beetje weggezakt. Dat valt allemaal onder het hoofdstuk 'formaliteiten' en de samenleving, zeker de stedelijke, is nu eenmaal geïnformaliseerd tot het niveau van 'hoi' en 'doei' in het voorbijgaan. Wat zeg ik als zij de deur opendoen?

Daar komt bij: ik woon in een huis met nummers van a tot h, moet ik dan werkelijk zeven buren langs met een omschrijving van mijzelf en mijn leefgewoonten? In de wetenschap dat het alle andere bewoners van nummer 17 verder een zorg zal zijn? En dan heb ik het nog niet eens over de begane grond, waar de gordijnen vrijwel de hele dag gesloten zijn als heerste daarachter winterslaap.

Ergens in het verleden is een grens gepasseerd. De grens van hoeveel buren je aankunt. De grens waarachter het je niet meer kan schelen wie je buren zijn en wat ze doen. Waarachter je alleen nog maar hoopt dat ze 's nachts geen harde muziek maken, dat ze bereid zijn de trap te helpen schoonhouden en dat ze nooit suiker bij je komen lenen.

Vroeger bleven gezinnen jarenlang in dezelfde buurt wonen, tegenwoordig kunnen hele straten in vijf jaar tijd van gezicht veranderen. Dat is bedreigend en nodigt niet uit tot kennismaking. Pas na een paar jaar evolueren de knikjes op de trap naar een praatje of een bezoekje.

Let wel, ik heb het over de grote stad. In een dorpje onder de rook van Haarlem kan een oudere dame nog mopperen op haar nieuwe buren. Al weken zijn ze naast haar aan het timmeren en zagen en ze hebben zich nog niet eens aan haar voorgesteld. Nee, zij hoeft de eerste stap niet te zetten, de nieuwelingen moeten dat doen. Zo hoort dat.

Hoort dat zo?

Ik zie ons nog zitten, pakweg vijftien jaar geleden, in een Fries dorpje, in een nieuw huis. Onder het dozen uitpakken ging de bel en daar stond het welkomstcomité. Drie respectabele autochtonen die de sociale thermometer even tussen de billen van deze nieuwe Friezen kwamen steken. Het was geen lang gesprek en ook geen preek met de dorpsmores. Ik herinner me nog dat er 56 verenigingen waren en dat wij van allemaal lid mochten worden.

Zo kan het dus ook.

We slaan Inez van Eijks manierengids 'Nieuwe etiquette' (1991) er op na. Zij stelt ons het probleem buurintroductie nogal eenvoudig voor: “Met de buren hebt u de eerste week al kennisgemaakt. De buurman rechts sprak u toevallig aan toen u in de tuin bezig was en zijn vriendin (zo stelde hij haar voor) kwam er even bij staan, zodat u uw huisgenoot er ook maar bij haalde.”

De teneur is duidelijk, de nieuwe etiquette van mevrouw Van Eijk is informeel. Geen 'overbodige en overdreven regels of gebaren', schrijft ze. Niks hóórt. Maar ik heb geen huisgenoot, ik heb geen tuin en zodoende is het ook niet gekomen tot een toevallige uitwisseling van persoonsgegevens met een van mijn buren.

Nu zijn er buurten in Amsterdam waar de woningbouwverenigingen 'portiekgesprekken' voeren; vooral daar waar in korte tijd grote aantallen allochtonen zijn komen wonen. Het zijn eenakters voor buren die uit zichzelf niet tot elkaar kunnen komen. De gesprekken onder leiding van de 'portiekwerker' zijn gestolde inburgerings-ideologie: ze gaan over vuilnisophaaldagen en de regels op de trap.

Maar mijn huisbaas heeft geen portiekwerkers in dienst. In elk geval niet in mijn buurt. Ik zal helemaal zelf met de buren moeten praten.

Een housewarming party geven voor het trappenhuis? Daarvan spookt een akelig voorbeeld door mijn hoofd: een vrouw die na vele jaren verblijf in het buitenland terugkeerde naar Amsterdam, was alweer vergeten hoe afstandelijk de stad geworden was. Ze wilde zich netjes en vriendelijk presenteren - een goede buur, etc. Ze schreef een wellevend briefje: “Goeiedag, ik heet Zus en Zo en ben hier net komen wonen. Ik zou het leuk vinden als u met mij kennis wilt komen maken. Vrijdag om zes uur bent u van harte welkom om bij mij iets te drinken.” Ze kopieerde het en stopte het in alle brievenbussen van haar trappenhuis.

Die vrijdag werd het zes uur, zeven uur, acht uur, negen uur. Niets gebeurde er. Ze bleef alleen temidden van al haar flessen wijn en Italiaanse worstjes. Om half tien hoorde ze zacht geklepper van de brievenbus. Er lag een briefje op de mat. “Dag mevrouw Zus en Zo, wij begrijpen dat u de nieuwe buurvrouw bent. De vuilniszakken moeten op dinsdagochtend worden buitengezet. Niet eerder.” Enzoverder, de hele lijst met huisregels.

Moed vatten. Nog een keer de 'Nieuwe etiquette' opslaan: “Goede verstandhouding met je buren zo enigszins mogelijk niet in gevaar brengen.” Dat klinkt aardig bedreigend. Morgen moet ik echt aanbellen bij mijn buren. Het is nu of nooit, ik woon al bijna een jaar naast ze.