'Het is nu moeilijker dan vroeger om een Grand Slam te winnen'

De nederlaag van Pete Sampras tegen Jaime Yzaga maakt nog eens duidelijk hoe bijzonder de prestatie van ROD LAVER was. De Australiër wist in 1969 als laatste tennisser in één kalenderjaar de vier Grand-Slamtoernooien te winnen.

Het was zo nat dat voor de wedstrijd een helicopter anderhalf uur boven de tennisbaan cirkelde om het water weg te blazen. Vijfentwintig jaar geleden, op maandagmiddag omdat de zondag was verregend, speelde de Australiër Rod Laver de vierde en laatste finale van zijn tweede Grand Slam. Hij zat in de kleedkamer te wachten op het einde van de vrouwen-dubbelfinale. Dreigende regenwolken hingen boven het stadion, minder dan vierduizend toeschouwers hadden de reis naar het tennispark gemaakt.

Zijn vrouw was hoogzwanger, over tijd. Ze wilde terug naar hun huis in Californië. Zijn tegenstander Tony Roche bromde dat de Grand Slam - het winnen van de vier Grand-Slamtoernooien in één kalenderjaar - had moeten eindigen voordat die begonnen zou zijn. “Die bal was uit”, herinnerde Roche zijn landgenoot aan hun halve finale in Brisbane, acht maanden eerder. “Dan had ik een breekpunt gehad voor 5-3 in de vijfde set. Dan had ik gewonnen.”

“Ik denk dat je gelijk hebt”, reageerde Laver. De umpire had een bal van Laver in gegeven. Daarna had Laver de finale op gras gewonnen van Andres Gimeno, op gravel in Parijs van Ken Rosewall, op gras op Wimbledon van John Newcombe. Drie van de vier toernooien werden toen nog op gras afgewerkt.

In New York verloor de 32-jarige Laver op de slipperige grasmat van Forest Hills de eerste set met 9-7 van zijn zeven jaar jongere landgenoot. Hij vroeg aan de scheidsrechter toestemming om schoenen met spijkers aan te trekken. Roche, van een jongere generatie, vertrouwde de ouderwetse schoenen met noppen niet. Hij wilde kunnen glijden. Laver vond zijn balans en won de volgende sets met 6-1, 6-3 en 6-2.

“In 1962 stond ik meer onder druk dan in 1969”, vertelde Laver deze week in New York op een persconferentie met een tiental journalisten. “In 1962, in de finale tegen Emerson, kwam ik op matchpoint naar het net en had ik mijn racket verkeerd vast. Ik sloeg een forehand-volley met een backhandgreep. Maar in 1969 was het een nog grotere uitdaging. Het was 'open' tennis, met amateurs èn professionals.”

Laver is nog even bescheiden als hij tijdens zijn carrière was. De Australiërs, vertelt Pete Sampras iedere keer als hij de kans krijgt, hadden 'klasse'. Ze schreeuwden niet, ze spuugden niet, ze scholden niet, ze klaagden nooit over een beslissing van de lijnrechter of umpire. Ze schudden hooguit een enkele keer hun hoofd.

De 56-jarige, 1.75 meter lange Australiër heeft nog hetzelfde rossige haar, hetzelfde rossig gevlekte gezicht, een scherpe neus en heldere blauwe ogen. Hij hoeft niet veel meer te doen - hij was in 1971 de eerste speler die de grens van één miljoen dollar prijzengeld passeerde - maar reist nog regelmatig van zijn huis in Rancho Mirage in Californië naar de grotere toernooien. Hij maakt daar reclame voor sportkleding en een racketfabrikant, speelt oude-knarren-tennis en praat met liefde over zijn sport.

“Het is nu moeilijker dan vroeger om een Grand Slam te winnen”, zei Laver. “In mijn tijd waren er vijftien tot twintig spelers voor wie je moest uitkijken. Die konden je verslaan. Tegen de rest moest je zelf slecht spelen om te verliezen. Maar nu zijn er zeker 150 spelers met voldoende talent om de toppers te verslaan. Het is echt ongelooflijk wat je te zien krijgt als je hier op de trainingsbanen rondloopt.”

Rodney George Laver leerde tennissen in Rockhampton op een baan waarover de resten van een mierenhoop waren uitgestrooid. Op zijn vijftiende verliet hij school en begon hij met Harry Hopman en een groepje landgenoten de wereld rond te reizen. De linkshandige, lichtvoetige atleet had een minder indrukwekkend postuur dan veel van zijn generatiegenoten. Maar hij ontwikkelde een massieve, krachtige linkerarm die hem veel controle over de bal gaf en hij beschikte over een compleet slagenrepertoire en uitstekende reflexen. Zijn voorkeur ging uit naar service-volley, maar hij kon ook vanuit het achterveld lange, strategische rally's spelen.

Het waren de dagen waarin het amateurtennis nog van het proftennis was gescheiden. Toen Laver in 1962 zijn eerste Grand Slam had gewonnen - in Sydney van Roy Emerson, in Parijs wederom Emerson, Marty Mulligan op Wimbledon en nog eens Emerson op Forest Hills - en voor het vierde achtereenvolgende jaar met Hopman de Davis Cup had binnengehaald, tekende ook Laver een profcontract.

De profs waren paria's. Ze mochten niet mee doen aan de Grand-Slamtoernooien. Laver kreeg van de All England Club een brief met de mededeling dat hij zijn paars-groene stropdas, verdiend met zijn Wimbledon-zeges, niet meer mocht dragen. Zijn lidmaatschap was opgezegd. Maar Laver kon eindelijk tegen zijn idool Lew Hoad spelen en tegen Ken Rosewall en Pancho Gonzales. De acht profs reisde honderdduizenden kilometers per jaar. De ene dag in La Paz op vierduizend meter hoogte, een week later 's avonds in Khartoum in Soedan waar zoveel muggen op de lampen kwamen zitten dat de baan verduisterd raakte en de wedstrijd gestaakt moest worden. Pas in 1968 werd de tegenstelling tussen amateurs en profs opgeheven en mochten alle spelers meedoen aan het 'open' tennis. Een jaar later won Laver zijn tweede Grand Slam.

Laver speelde met een houten Dunlop-racket. Een essentieel verschil met rackets van grafiet, waar de spelers nu mee op de baan staan. “Het is een compleet andere sport geworden. De spelers van tegenwoordig zouden niet met een houten racket kunnen spelen. Ik heb zelf ook veel moeite gehad met het overschakelen naar grafiet. Met hout moest je de bal heel zuiver raken om hem te controleren. Die nieuwe rackets geven de bal zoveel snelheid en extra effect, dat het onmogelijk is met de bal te doen wat wij deden. Je kan geen hoeken meer uitzoeken. Er is geen tijd meer om een punt rustig op te zetten en af te maken. De moderne spelers moeten veel meer risico nemen en proberen een rally veel sneller te beslissen. Daardoor is een deel van de gratie van het spel verdwenen.”

Hij heeft een aantal suggesties waarmee de strategie - het denktennis - weer een grotere rol zou kunnen spelen. Er zou een maximum gesteld kunnen worden aan de veerkracht van de rackets. De banen zouden trager gemaakt kunnen worden. De luchtdruk in de ballen kan lager, waardoor ze langzamer worden. En de serveerder zou per game maximaal drie eerste services mogen slaan. “Ik denk dat het goed is om het voordeel van de serveerder iets te verminderen. Als hij maar drie keer per game beschikt over een tweede service, moet een speler keuzes gaan maken, moet hij gaan nadenken. Dan kan het een voordeel zijn om een service met driekwart van de snelheid ver in de hoek te slaan. In ieder geval krijgt de retourneerder meer kans een rally aan te gaan.”

Steffi Graf won de Grand Slam - en de Olympische Spelen - in 1998. Bij de mannen is niemand er in geslaagd de prestatie van Laver te herhalen. Björn Borg slaagde er niet in de US Open te winnen, Ivan Lendl leek allergisch voor het gras op Wimbledon, John McEnroe kwam pas in de tweede helft van het seizoen op stoom, Jimmy Connors en Boris Becker faalden in Parijs.

Veel tennisfans, waaronder Laver zelf, dachten dat de nummer één van de wereld, de Amerikaan Sampras, dit jaar in de buurt zou kunnen komen. Maar hij verloor in Parijs van Courier en vorige week in New York van de vrijwel onbekende Peruaan Jaime Yzaga, die vervolgens in de kwartfinale werd uitgeschakeld door Karel Novacek.

“Een paar jaar geleden, toen hij op zijn zeventiende Wimbledon had gewonnen, dacht ik dat Becker een Grand Slam zou kunnen winnen”, zei Laver. “Nu denk ik dat Sampras degene is die het kan doen. Hij heeft het talent, de wilskracht en de motoriek. Maar het blijft moeilijk om vier keer in één jaar op je best te zijn. Tegen Jim Courier in Parijs had hij zeker een kans omdat Courier op dat moment met weinig zelfvertrouwen speelde. Achteraf zal Sampras er spijt van hebben gehad, dat hij niet vaker en sneller naar het net is gegaan.”

Het debat over de slome 'persoonlijkheid' van Sampras komt Laver bekend voor. Hijzelf liet ook alleen zijn racket spreken. “Het kost tijd om met roem te leren omgaan. Zo'n partij van Sampras tegen Yzaga, waarin hij kapot was maar weigerde op te geven, heeft het publiek al een andere kant van hem getoond. Ik denk dat Newcombe, Stolle en ik nu allemaal geafficheerd zouden worden als klassieke, saaie spelers.”