FIDEL CASTRO'S ISOLEMENT

Robert E. Quirk: Fidel Castro 898 blz., geïll., W.W. Norton 1994, ƒ 77,50

Hoe lang al hadden we hem niet gezien, in een nieuwsuitzending? Plotseling was hij er weer. Hees als na een van z'n berucht-lange toespraken, grauwer misschien dan een vorige keer maar onberispelijk in uniform. Fidel Castro terug op de buis. De gebaren versleten, de retoriek achterhaald, het opnieuw beleden geloof in de revolutie als eerder schril dan overtuigend commentaar bij de Cubaanse exodus. Ruim 35 jaar aan de macht is hij en nog steeds niet van zins om in retraite te gaan. Maar hij oogt eerder als gidsfossiel van een voltooid verleden dan als baken voor de toekomst.

De 67-jarige Castro rest weinig van wat hem eens betekenis gaf. Het einde van de Koude Oorlog ontnam Cuba zijn waarde als strategische voorpost van de Sovjet-Unie en Castro zijn status als staatsman van internationale allure. De kans een vernieuwende inhoud te geven aan een socialistisch getinte ontwikkeling had Fidel zichzelf en zijn land al veel eerder ontnomen. In de jaren zestig had El Lider Maximo, door toe te treden tot het Sovjetblok, zijn meerwaarde verloren voor revolutionaire bewegingen elders, waarvan hij zich als leider opwierp maar die zich juist onafhankelijk van Moskou of Peking hoopten te ontplooien. Omstreeks 1970 had hij voorts de sympathie verspeeld van veel Westeuropese en Amerikaanse intellectuelen, die de Cubaanse revolutie eerder bewonderd hadden. Kwa-lijker echter voor Castro was nog dat zijn gezag bij de eigen bevolking was teloorgegaan, door het gedogen van corruptie en decadentie bij Cuba's nieuwe elite en, bovenal, doordat zijn meeslepende beloften holle woorden waren gebleken.

Graat te zijn in de keel van de grote buurman is al wat Fidel is overgebleven. De Amerikanen die hem vrijwel van het begin af kwijt wilden, zitten nog steeds met hem opgescheept. Zij hebben, in de eerste fase van Castro's bewind, diens populariteit bij de eigen bevolking even schromelijk onderschat als Fidels communisme overdreven. Evenzeer was het de Amerikanen toen ontgaan dat de Cubaanse revolutionair niet uit het hout gesneden was dat met enkelvoudige dreigementen te buigen viel. Het Amerikaanse onbegrip heeft er toe bijgedragen dat Castro in de armen van de Russen belandde die hem, tijdens de voortdurende Koude Oorlog, van rugdekking voorzagen. Zelfs nu Castro vrijwel nergens meer over bondgenoten beschikt, hij de militaire en economische steun van het Sovjetblok mist en zijn autoriteit in eigen land nagenoeg heeft verspeeld, ontbreekt het de VS aan de formule om hem ten val te brengen.

Gestuntel

Nu eens tekortschietend inzicht, dan weer binnenlands-politieke overwegingen hebben te vaak het gedrag tegenover Cuba van opeenvolgende Amerikaanse presidenten tot gestuntel gereduceerd. Quirks magistrale biografie, een in Castro's levensloop ingebedde geschiedenis van de Cubaanse revolutie en haar buitenlands-politieke verwikkelingen, bevat daarover een stortvloed aan informatie. Quirk, die weinig sympathie koestert voor zijn hoofdfiguur, informeert vooral en is zuinig met conclusies. Zijn gegevens bevestigen althans voor mij dat de verantwoordelijkheid voor de miserabele Cubaans-Amerikaanse verhoudingen in de eerste plaats berust bij het Witte Huis, het Capitool en de CIA, al heeft ook Fidel Amerikaanse toenaderingspogingen op cruciale ogenblikken gefrustreerd.

Al heeft de Amerikaanse regering zich vrijwel voortdurend anti-Cubaans gedragen, zij heeft bijna altijd volgehouden dat het verdrijven van Castro primair een zaak was van de Cubanen zelf. Dat begon al met president Eisenhower die in kleine kring moet hebben gezegd dat het Cubaanse volk 'als het honger krijgt Castro er zelf wel zal uitgooien'. Voor alle zekerheid echter liet hij bijna te zelfdertijd een task force formeren om de Cubanen daarbij een handje te helpen. Die Amerikaanse steun kwam al in 1959 tot gelding bij sabotage-acties op het eiland en in het voorjaar van 1961 bij de 'Varkensbaai'-invasie die al was voorbereid onder Eisenhower maar onder Kennedy's verantwoordelijkheid werd uitgevoerd.

De mislukking van de Varkensbaai-invasie maakte allerminst een einde aan de Amerikaanse pogingen zich van de horzel aan de zuidflank te ontdoen. Er kwam zelfs geen normalisatie van de Amerikaans-Cubaanse betrekkingen toen Castro's Cuba, na de ontmanteling van het Sovjetblok in 1990, niet langer als 'dichtstbijzijnde Sovjetbasis' potentieel gevaarlijk was voor de VS. President Bush hield het economische embargo in stand waaraan de oorspronkelijke motivering was ontvallen; Kennedy immers had het afgekondigd omdat Cuba, 'aan de leiband van Moskou', een gevaar opleverde voor de veiligheid van het westelijk halfrond. En nu is het dus de beurt aan Clinton, die Bush tijdens zijn verkiezingscampagne verweet Castro zelfs na de val van het Sovjetblok niet op de knieën gedwongen te hebben. Het is soms moeilijk de verleiding te weerstaan het Amerikaans-Cubaanse conflict terug te brengen tot een burenruzie tussen een Witte Huis, dat zich aan zijn prestige verplicht acht de Cubaanse duivel uit te drijven, en de Cubaanse dictator, wiens koppige overlevingsdrift iedere capitulatie verbiedt.

Zo simpel is het niet, natuurlijk, al geven Castro's houding jegens de Cubanen die hun land illegaal willen verlaten en Clintons reactie op de nieuwe vluchtelingenstroom voedsel aan zo'n primitieve verklaring. Clinton heeft inmiddels de beste papieren want de voornamelijk economisch geïnspireerde massavlucht is het zoveelste teken dat Castro's avontuur zijn droevige einde tegemoetsukkelt, al is het tijdstip van Castro's ondergang evenmin te voorspellen als de val van de Berlijnse Muur. Het valt voorts niet te voorzien of Fidels regime in bloed ten onder gaat of langs vreedzamer weg wordt vervangen. Castro's greep op zijn goed georganiseerde leger heet ongebroken en echt populair op Cuba zijn de contra's niet. Ook over de uitkomst van het veranderingsproces tast vrijwel iedereen in het duister. Wie durft er zijn hand voor in het vuur te steken dat op Castro's eenmansbewind democratischer verhoudingen volgen?

Koppigheid

Hoe langer de patstelling voortduurt, hoe meer gevreesd moet worden dat met Castro bloedig zal worden afgerekend en een rechts-dictatoriaal bewind het zijne vervangt. Helaas is er weinig reden om in dit opzicht optimistisch te zijn. Uit niets blijkt dat Fidels koppigheid geleden heeft onder zijn gevorderde leeftijd. Hij toont zich, evenmin als vroeger, bereid tot de concessies die de Amerikanen tegenwoordig als voorwaarde stellen aan de opheffing van het handelsembargo. Daarom lijkt alleen de Amerikaanse president een doorbraak te kunnen forceren door het embargo onvoorwaardelijk op te heffen. Vertraagt dat mogelijk de val van Castro, daar staat tegenover dat Clinton het lot van de Cubanen op korte termijn verlicht, hun weer perspectief biedt en zo een vreedzame overgang naar het post-Castristische tijdvak bevordert.

Dat Clintons ideeën in die richting gaan is onduidelijk maar niet uitgesloten. Hij laat zich in het openbaar weliswaar onverzoenlijk uit, maar krijgszuchtige taal is wel vaker als rookgordijn voor vreedzamer bedoelingen opgetrokken. Zo'n opheffing van het handelsembargo kan ongetwijfeld rekenen op steun van het buitenland en van de Amerikaanse liberals in pers en politiek. Luidruchtiger waarschijnlijk zal de kritiek zijn op de 'softie' Clinton, wie verweten zal worden de Cubaanse leider liever te apaiseren dan hem de genadestoot toe te brengen. Het is de vraag of Clinton in dit verkiezingsjaar de moed heeft die storm te trotseren en een aantal posten voor Democratische kandidaten (de Democratische gouverneur van Florida!) en zijn binnenlands-politieke programma voor zo'n buitenlands-politieke wending in de waagschaal te stellen.

De sympathie voor Castro's Cuba van niet-communistisch links in de Verenigde Staten en West-Europa is veel minder duurzaam gebleken dan Amerika's vijandschap. Die sympathie was betrekkelijk gering in omvang, maar ze was voor Cuba niet onbelangrijk omdat ze vaak gedragen werd door wat toen voor de spraakmakende gemeente doorging. Waarschijnlijk vooral omdat ook van de post-stalinistische Sovjet-Unie weinig inspiratie uitging en de puur nationalistische koloniale revoluties al weer vastgelopen leken, verwachtten deze intellectuelen en kunstenaars veel van de radicaler socialistisch getinte revoluties in de Derde Wereld (Vietnam, Algerije, Cuba). Amerika zagen ze niet slechts als bevrijder van Europa en hoeder van onze democratie, maar ten minste evenzeer als imperialistische mogendheid die, zeker in Latijns Amerika en de Caraïben, dictaturen steunde en progressiever ontwikkelingen frustreerde. In die zienswijze paste het Amerikaanse optreden tegen Castro's Cuba in een Amerikaanse traditie waarin Monroe's 'Amerika voor de Amerikanen', zeker sinds Theodore Roosevelt, verworden was tot 'Latijns Amerika voor de Verenigde Staten'.

Zij steunden een Cubaanse revolutie, die de dictator Batista ten val had gebracht, zich niet door de VS liet ringeloren en die daardoor in staat bleek ingrijpende sociale en agrarische hervormingen te verwezenlijken. Dat Castro zijn heil zocht bij de Sovjet-Unie leek, in de bi-polaire wereld van de jaren zestig, de onvermijdelijke reactie op de Amerikaanse pogingen Castro weer in het gareel te krijgen. Castro's overlopen werd met te meer overtuiging aanvaard omdat hij aanvankelijk voldoende dwarsligger was om interessant te blijven. En al koos hij voor het communisme, onder Cuba's tropenzon oogde dat vrolijker dan in het sombere Moskou of het stramme Oost-Berlijn. Dat Castro een mogelijke concurrent als Hubert Matos, die hem tijdens de revolutie gesteund had, op loze gronden tot twintig jaar liet veroordelen, werd veronachtzaamd of verontschuldigd. Een breuk met Amerikaanse en Westeuropese sympathisanten werd pas zichtbaar nadat Castro in 1968 de Warschaupact-interventie in Tsjechoslowakije voor zijn rekening had genomen, Castro's 'Comités voor de Verdediging van de Revolutie' een steeds dwingender controle uitoefenden op het alledaagse Cubaanse leven en hij de kunst, die zich aanvankelijk redelijk vrij leek te kunnen ontwikkelen, aan banden legde. 'Binnen de revolutie is alles toegestaan', werd Castro's slagzin, 'er buiten niets'. En omdat niemand dan hij bepaalde wat 'binnen de revolutie' was kon hij de grenzen steeds nauwer trekken en belandden dromerige dichters als Hector Padilla in het gevang.

Toekomstbeeld

Het is geschiedenis. De sympathie verdampte en Castro's revolutie staat voor de ondergang. Voor de tegenstanders van het eerste uur is de oorzaak duidelijk. Castro drong Cuba een communistische dictatuur op, steun van het Sovjetblok hield zijn regime kunstmatig in stand, het verdwijnen van het Sovjetblok bracht zijn failliet aan het licht. De maatschappij is niet 'maakbaar', wie die grenzen van zijn mogelijkheden wil doorbreken raakt onvermijdelijk in dictatoriaal vaarwater. Zo'n verklaring, hoe plausibel ook, is me te makkelijk. Evenmin bevalt me de zienswijze van de weinigen die Castro's Cuba nog steeds in het hart dragen en die de neiging hebben de Cubaanse problemen uitsluitend toe te rekenen aan het Amerikaanse embargo. Al is het gegaan zoals het gegaan is, de vraag blijft interessant of het allemaal toch niet anders had kunnen aflopen met het toekomstbeeld dat de guerrilleros in de Sierra Maestra voor ogen zweefde: een gedekoloniseerd, economisch bloeiend, humanistisch en democratisch Cuba, in een nieuwe, gelijkwaardiger relatie met de Verenigde Staten.

Quirk besteedt veel aandacht aan Castro's jonge jaren. Een aardige jongen was hij niet. Daarvoor was hij te zeer op zichzelf en zijn leidende rol gericht; met concurrerend leiderschap kon hij even slecht uit de voeten als met kritiek. Deze eigenschappen en de centrale plaats die hij vanaf het begin bekleedde, lijken de belangrijkste oorzaak van zowel het voortleven van de revolutie als de mislukking ervan. Hoewel het Castro ontbrak aan enige bestuurlijke ervaring konden, buiten hem om, vrijwel geen beslissingen worden genomen. Omdat hij daarbij impulsief was, ongeduldig en nauwelijks vatbaar voor kritiek, waren ongelukken onvermijdelijk.

De Cubaanse ontwikkelingen hadden er beter voorgestaan als hij het oor vaker geleend had aan zijn burgerlijk-democratische bondgenoten en de Cubaanse communisten, die meer opvielen door hun trouw aan Moskou dan door hun originaliteit, op groter afstand had gehouden. Niet dat dan de conflicten met zijn Amerikaanse buren waren uitgebleven. De VS hadden weinig compassie met eigenwijze, radicaal-democratische buren en waren evenmin genegen daaraan toe te geven. Het is daarom onwaarschijnlijk dat de VS meer van Castro hadden geaccepteerd als hij de communisten had buitengesloten; Koude Oorlog en Amerikaanse communistenfobie sloten toegeeflijkheid jegens een communistisch-gezinde Castro in ieder geval uit.

Wanneer eigenlijk is Castro communist geworden? Zijn tegenstanders situeerden het tijdstip van zijn bekering lang voordat hij aan de macht kwam, een lezing die Castro zelf later bevestigde. Quirk echter toont aan dat Castro heel lang eerder burgerlijk-radicaal dan marxistisch dacht en handelde. De Amerikaanse reacties op de Cubaanse ontwikkelingen hebben Castro's toenadering tot de Sovjet-Unie beslissend beïnvloed. En die Sovjet-steun maakte zelf weer iedere Amerikaanse toenadering onmogelijk. Daarmee is niet gezegd dat er niet zo'n mogelijkheid is geweest. Nadat de plaatsing van Sovjetraketten op Cuba de wereld in 1962 aan de rand had gebracht van een nucleaire oorlog, heeft president Kennedy een wending overwogen in het Amerikaanse Cuba-beleid. Tijdens een gesprek met de Franse journalist Jean Daniel betuigde de Amerikaanse president zijn sympathie met de Cubanen die, zei hij, hadden geleden onder 'het kolonialisme, de vernedering en de uitbuiting' tijdens Batista's bewind. Kennedy betreurde de Amerikaanse mede-verantwoordelijkheid daarvoor, sprak zich uit voor normalisering van de betrekkingen mits Cuba zich zou losmaken van de Sovjet-Unie en verzocht Daniel deze woorden over te brengen aan de Cubaanse leider. Deze ouverture had een eerste stap kunnen zijn, maar op de dag dat Daniel deze boodschap overbracht, werd de Amerikaanse president vermoord.

Had het allemaal anders kunnen gaan? De Russische en Oosteuropese aanwezigheid op Cuba maakte het leven daar bureaucratischer, formeler, onaangenamer ook. 'Liever de Russen dan de Amerikanen', zei me niettemin, tegen het eind van de jaren zestig, de Nederlandse ambassadeur Van der Gaag, afkerig van de manier waarop de American Way of Life in het pre-revolutionaire Cuba gestalte had gekregen. Helaas hebben de Sovjetcommunisten nergens voor een plezierige samenleving gezorgd. Ook op Cuba niet.

Quirks Castro-biografie voegt onnoemelijk veel toe aan de onbarmhartige afrekening met Fidel van zijn vroegere vriend Carlos Franqui en aan Tad Sculz' portret van de Cubaanse leider. De miere-ijver waarmee hij overal ter wereld bronnen heeft geraadpleegd en mensen heeft geïnterviewd, levert een betrouwbaar, bijna uitputtend beeld van Castro's ontwikkeling en het decor waarin diens leven zich voltrok. Niet dat ik er niets in mis. Zo besteedt Quirk naar mijn smaak te weinig aandacht aan de Cubaanse economie, de ontwikkeling van de gezondheidszorg en het onderwijs. Dat had, wat mij betreft, in de plaats mogen komen van sommige overgedetailleerd behandelde, strikt-politieke ontwikkelingen. Het boek was er nog interessanter door geworden.