Een verdeelde Pvda

Frits Rovers: Voor recht en vrijheid. De Partij van de Arbeid en de Koude Oorlog 1946-1958 365 blz., geïll., Stichting beheer IISG, 1994, ƒ 48,-

Onder de titel 'Vergeten reformisme' verscheen in het zevende jaarboek voor het democratisch socialisme een bijdrage van de toenmalige directeur van de Wiardi Beckmanstichting, J.Th.J. van den Berg. Dat was in 1986 en Van den Berg, inmiddels hoogleraar parlementaire geschiedenis aan de Rijksuniversiteit in Leiden, wees in die bijdrage op het feit dat in de geschiedschrijving van de PvdA de periode 1945-1965 nogal onderbelicht was. Op de jaren vijftig rustte sowieso al een doem: van spruitjes, van saaie mannen in saaie pakken die het land bestuurden en van brave journalistiek.

Van den Berg noemde één belangrijke uitzondering: de dekolonisatie van Nederlands-Indië waarover wel, maar vooral op defensieve toon, werd geschreven. Nog steeds ontbreekt de sociaal-democratische variant op het lijvige proefschrift van Jan Bank over de katholieken en de Indonesische revolutie. Ook constateerde Van den Berg dat als er al over de naoorlogse periode werd geschreven, de aandacht zich vooral richtte op aspecten van het sociaal-economisch beleid van de kabinetten-Drees en de bereidheid tot het sluiten van compromissen. Drees was daarvan zo ongeveer de verpersoonlijking geworden, aldus veel van zijn critici die niet van compromissen hielden toen ze jong en progressief waren in de tweede helft van de jaren zestig. Zo progressief dat velen de CPN omarmden, de DDR wilden erkennen, de Muur een historische noodzaak vonden en de houding van de PvdA tijdens de Koude Oorlog met een mengeling van ironie en spotzucht beschreven.

Het valt nauwelijks te verwachten dat uit die hoek nog studies zullen verschijnen over de PvdA gedurende de eerste twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog. Een uitzondering daargelaten wagen de diehards van de jaren zestig zich daar liever niet aan. Misschien is dat maar goed ook, omdat hun oordeel over het recente verleden niet zozeer stoelde op feiten alswel op ideologisch getinte vooroordelen wat hun geloofwaardigheid niet ten goede is gekomen.

Het opvullen van hiaten in de geschiedschrijving van de sociaal-democratie in de periode na de Tweede Wereldoorlog is een dankbare taak voor jonge promovendi en wetenschappers. De positie van de Partij van de Arbeid tijdens de Koude Oorlog was zo'n hiaat dat onlangs is opgevuld met het proefschrift Voor recht en vrijheid van de historicus F. Rovers. Het jaar van zijn geboorte, 1958, staat borg voor een onbevangen blik - hij gaat niet gebukt onder een ideologisch bepaald verleden en heeft het tijdvak 1946-1958 van binnenuit willen beschrijven.

Buitenwacht

Rovers heeft zich in zijn proefschrift gericht op de houding van de Nederlandse sociaal-democratie jegens het Westerse bondgenootschap, de Sovjet-Unie, het communisme en de CPN en de gevolgen van die houding voor de binnenlandse politieke verhoudingen. Centraal in zijn studie staan de communistische machtsovername in februari 1948 in Tsjechoslowakije, de oorlog in Korea (1950-1953) en de Hongaarse opstand in 1956 en de gevolgen daarvan voor de stellingname van de PvdA ten opzichte van het communisme in het algemeen en de CPN in het bijzonder. Duidelijk wordt dat de PvdA ondanks haar afkeer van het communisme beducht was voor maatregelen tegen de CPN (na 'Praag'), omdat die zich ook tegen de sociaal-democratie konden keren.

Levendig beschrijft Rovers hoe partijgenoten en de buitenwacht elkaar in de haren vlogen na de inval in Hongarije: waarom keuren we die inval af en hebben we nauwelijks kritiek op het Frans-Britse ingrijpen tijdens de Suez-crisis? Een antwoord op die vraag ligt, zo stelt Rovers terecht, “in de gecompliceerde verhouding tussen het Oosteuropese communisme en de Westerse sociaal-democratie zoals deze zich na de Tweede Wereldoorlog had ontwikkeld”. Opmerkelijk in dit hoofdstuk is wel dat Rovers het beurtelings heeft over de Hongaarse revolutie en de Hongaarse opstand - geen onbelangrijk verschil. Opmerkelijk is ook het verband dat Rovers op pagina 164 en in noot 79 (pag. 320) legt tussen de dramatische reportages over Hongarije, de Greet Hofmans-affaire en de lange kabinetsformatie van 1956:

“Het is niet ondenkbaar dat de journalistieke frustratie over de collectieve zelfcensuur tijdens de Greet Hofmans-affaire en de ongewoon lange formatieperiode, in deze novemberdagen een explosieve uitweg vond in de dramatische reportages over Hongarije.” Die reportages konden niet anders dan dramatisch zijn omdat weerloze mensen met tanks werden bestreden, hun opstand in bloed werd gesmoord en de angst voor de communistische terreur hart en ziel van velen doorkliefde.