Ed. van Thijn Op dood spoor; We hebben fouten gemaakt en onderling de zaken niet goed geregeld

De Amsterdamse burgemeester Ed van Thijn verruilde begin januari die riante positie voor de veel onzekerder post van minister van binnenlandse zaken. “Ed, we hebben je nodig”, had PvdA-leider Wim Kok gezegd nadat oud-minister Dales plotseling was overleden. Vijf maanden later, op vrijdag 27 mei, concludeerde Van Thijn dat Kok hem niet langer kon gebruiken. Van Thijn werd twee weken na zijn aantreden geconfronteerd met de IRT-affaire. Een verwoestend conflict binnen het Amsterdamse OM en tussen betrokken politiekorpsen over de inrichting van de bestrijding van de georganiseerde misdaad.

Zelf was Van Thijn als burgemeester/korpsbeheerder be trokken geweest bij die kwestie. Naar aanleiding van het rapport over deze affaire van een commissie onder leiding van de Enschedese burgemeester Wierenga verscheen Van Thijn met zijn ambtgenoot van justitie Hirsch Ballin twee maal in de Tweede Kamer om tekst en uitleg te geven. Daarbij bleek een meningsverschil tussen beide bewindslieden: Van Thijn was het oneens met de conclusie van de commissie Wierenga, dat een gezagscrisis leidde tot de onverhoedse opheffing van het IRT. Hirsch Ballin verwierp echter de stelling van Van Thijn dat de werkmethode (infiltratie met pseudokoop) uit de hand was gelopen. Wat bij het eerste debat in april - en dus vóór de verkiezingen - niet kon, gebeurde onverwacht eind mei: de bewindslieden gingen heen.

Hirsch Ballin voelde zich vleugellam nadat de Kamer had uitgesproken dat hij zich niet meer met de bestrijding van de georganiseerde misdaad mocht bemoeien. Daarmee werd ook de positie van Van Thijn onhoudbaar. Partijleider Kok en partijvoorzitter Rottenberg verklaarden direct dat Van Thijn kon terugkeren op Binnenlandse Zaken. De afgelopen weken is gebleken dat hij definitief is uitgerangeerd.

Na 17 weken zwijgen, spreekt Van Thijn: een nagekomen hoofdstuk van het rapport Wierenga.

Eigenlijk zou ik over drie zaken willen zwijgen. Dat is één: het verleden, twee: het heden en drie: de toekomst. De toekomst omdat ik die niet ken. Het heden omdat ik anderen niet voor de voeten wil lopen en het verleden omdat ik mezelf niet voor de voeten wil lopen. Laat dat een waarschuwing zijn.

“Samen met Lubbers en Brinkman behoor ik tot de mensen die nu aan het verleden zijn toevertrouwd. Hoe dan ook heeft zich, helemaal los van mijn persoonlijke geschiedenis, een aardverschuiving in de Nederlandse politiek voltrokkken. Bij elk van de drie personages hoort een verhaal.

“Het mijne is nauw verweven met de IRT-kwestie; alle verwikkelingen rond de omstreden opheffing van het speciale rechercheteam in Noord-Holland en Utrecht, gericht tegen de georganiseerde criminaliteit. Daarover wil ik slechts met mate spreken. Ik heb weliswaar geen spreekverbod, maar ik denk dat de zaak van politie en justitie er niet mee is gediend wanneer die affaire te pas en te onpas wordt opgerakeld. Het opmerkelijke is dat over de inhoud van de omstreden opheffing van dat rechercheteam nog nergens is gesproken. De commissie Wierenga, die begin dit jaar de opheffing van het IRT onderzocht, heeft echt wel alle informatie boven water gehaald. Maar vervolgens is in de politiek alleen maar aan de orde geweest wie wanneer weg moest. Weinigen weten exact waar het over gaat. Ook omdat de Kamer de inhoud heeft doorverwezen naar een parlementaire commissie van onderzoek. Ik denk dat we die gelegenheid maar moeten afwachten.

“Ik heb altijd dwars door alle debatten heen gezegd dat het rapport Wierenga een goed rapport is. Maar ik zet één vraagteken: kun je mensen beoordelen los van het oordeel over de zaak zelf? En dan doel ik niet op het onderscheid tussen foute mensen en mensen die fouten maken, o nee. Schei uit. Er zijn fouten gemaakt, die zijn toegegeven. Maar de weging van de ernst van de fout kun je eigenlijk pas maken als je over de totale informatie beschikt. Die informatie hebben maar heel weinig mensen. En die staat in ieder geval niet in de delen van het rapport die openbaar zijn.

“Het is natuurlijk een onthutsende ervaring geweest de afgelopen maanden. Ik moet ook erkennen dat ik teleurgesteld ben, wees maar niet bang, ik ben zwaar teleurgesteld. Maar aan de andere kant moet je in de politiek met je teleurstellingen kunnen leven. Ik betreur niet dat het nu is afgelopen, maar de manier waarop het gegaan is.”

“Wat ik nu ga doen, is niet helemaal duidelijk. Ik heb lange tijd uitgekeken naar een periode waarin ik als publicist werkzaam zou kunnen zijn, het woord 'schrijver' wekt zoveel verwachting. Nou, het bevalt goed: tegen de feestdagen verschijnt mijn eerste boek in mijn nieuwe leven als publicist. Verder weet ik het niet. Een full time-baan in de politiek verwacht ik of ambieer ik eigenlijk niet meer. Ik zal wel elk verzoek zeker goed tegen het licht houden - voortaan.

“Het is ook wel mooi geweest. Ik was de langst zittende burgemeester van Amsterdam, daar valt ook wel wat over te schrijven. Misschien ga ik meer de wetenschappelijke kant op. Natuurlijk zit ik ook in de Europese adviescommissie inzake de bestrijding van racisme en xenofobie. Het bedenken van een strategie voor Europa is een hele interessante klus. Ja, en dan de partij. Voormalig fractievoorzitter Wöltgens schrijft het beginselprogram al, dus ik ben alleen beschikbaar voor het urgentieprogram.”

“Het is gelopen, zoals het is gelopen. Ik ben erg slecht in terugblikken. Zo'n IRT-debat. Dat was een ongelooflijk debat. Ik heb het allemaal nog eens overgelezen. Een nauwgezette analyse zou dit bestek ver te buiten gaan; er is zoveel gebeurd in die veertien uur. De omstandigheden waren natuurlijk ook belastend. Ik stond daar in een dubbelrol van minister van binnenlandse zaken en voormalig korpsbeheerder van het Amsterdamse politiekorps. Die rollen probeerde ik te scheiden, zo goed en zo kwaad als het ging. De minister van justitie was er fysiek vreselijk aan toe met een hernia. Hij had op zijn ziekbed zijn eigen lijn getrokken. En de minister-president kwam met een jet lag uit Jakarta overvliegen. Ziedaar: de drie musketiers!

“Wij waren vogelvrij. De oppositie hoefde alleen maar in te schieten. Onze fracties steunden wel maar dat hielp niet zo erg. Het CDA probeerde de beide ministers als een Siamese tweeling in de aanbieding te gooien, ons de handboeien aan te doen, terwijl de PvdA er met het sleuteltje vandoor ging. Het was een no win-situatie, maar dat zie ik achteraf.

“Zelf kampte ik met een forse cultuuromslag. Toen ik Ien Dales begin dit jaar opvolgde, heb ik ook gezegd dat ik niet zomaar de rol van partijhengst op zou pakken. Er was toen net een opinie-onderzoek geweest. Daarin scoorde ik van alle politici het hoogste op het punt van betrouwbaarheid. Ik moest er enorm aan wennen dat ik in de Kamer niet op mijn woord geloofd werd. Ik was het ontwend. Door elf jaar burgemeesterschap, dat wil zeggen elf jaar boven de partijen staan, was ik niet meer gewend om te functioneren als schietschijf. Als je dit soort functies lang vervult, overkomt je dat. Lubbers had tegen het einde van zijn regeringsperiode last van hetzelfde euvel. Maar ik had natuurlijk moeten weten hoe het hier werkt, want ik heb eerder nota bene zestien jaar in de Haagse politiek doorgebracht.

“Daar kwam nog bij dat ik in een kabinet stapte dat eigenlijk al bezig was uit elkaar te vallen. Bovendien stond de verkiezingsstrijd op het punt om te ontbranden. Achteraf blijkt er ook nog op dat moment een politieke aardverschuiving bezig te zijn geweest. Dus in elk opzicht was die overstap heel groot.

“Er is natuurlijk ook een tijdsdimensie. Ik heb Den Haag meegemaakt in de jaren zestig en zeventig. Nu zijn we in de jaren negentig: ik zeg niet dat het nu slechter gaat of zo. Maar de politieke cultuur is toch anders. De politiek is enerzijds zakelijker geworden en anderzijds persoonlijk toch tamelijk genadeloos. Ik zeg dat allemaal niet om mijn eigen optreden goed te praten.

“Het is heel begrijpelijk dat zo'n rapport van de commissie Wierenga gefundenes Fressen is voor parlementariërs. Ik beklaag me niet over de feiten die wel aan het licht zijn gekomen. Er was reden genoeg om daar over tekeer te gaan. Maar ik heb ergens het gevoel dat er ook nog feiten niet boven tafel zijn gekomen. Doordat een deel van die informatie in een geheim rapport staat, was over de echte gang van zaken geen publiek debat mogelijk en dus ook geen verweer.”

“Ik vind overigens dat de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit ook geen open boek hoort te zijn. Het is al erg genoeg dat ze inbreken om aan informatie te komen. Dat is meteen het dilemma dat tot grote terughoudendheid dwingt. Ook al is dat tot eigen schade.

“Ik protesteer heftig tegen diegenen die opperen dat de recente golf van inbraken in huizen van mensen van het OM het werk kan zijn van politie-mensen, zoals onlangs op tv gebeurde. Nee, daarvoor ben ik echt te ouderwets. Ik vind niet dat je de politie zonder enig spoor van bewijs daarvan mag beschuldigen. Het zijn spookverhalen die de wereld uit moeten. We wonen hier niet in de VS. Dat overheidsdiensten bij elkaar inbreken komt in Nederland niet voor. Ik durf bijna mijn hand in het vuur te steken voor de Nederlandse politie. Het is tekenend voor het volstrekt verziekte klimaat dat dit soort spookverhalen kan opkomen. Mijn hemel zeg, misschien ben ik niet meer van deze wereld, maar ik heb dertig jaar ervaring met de politie. Ik weet wat er loos is, maar ik weet ook wat er niet loos is.

“Het enige waar je met een beetje fantasie aan zou kunnen denken is dat het kan gaan om oud-politiemensen, die ontslagen zijn wegens norm-overschrijdend gedrag en die op een of andere manier verhaal willen halen. Misschien hadden sommigen reeds contact met de georganiseerde criminaliteit toen zij nog in dienst waren. Maar dat politiemensen in actieve dienst zouden inbreken, vind ik zo'n grove beschuldiging: die kun je niet zonder grond doen. We hebben het wél over het gezagsapparaat. Het treurige is dat het gezagsapparaat aan gezag heeft ingeboet.”

“Wat ik wil zeggen: omdat niemand weet wat er nou precies met dat IRT aan de hand was, hangt er wel een geurtje omheen. Wat zijn de associaties: IRT, strijd tegen de georganiseerde criminaliteit, foute boel. Twee ministers weg op een avond. Mensen weten niet wat er precies aan de hand was. Wat je ook van mijn oud-collega Ernst wil zeggen - en ik denk dat hij hetzelfde over mij zal zeggen -, aan onze onkreukbaarheid hoeft niet getwijfeld te worden. We hebben onhandig geopereerd, fouten gemaakt, onderling de zaken niet goed geregeld, dat wel. Het feit dat Hirsch Ballin de donderdag na het debat onverhoeds zijn aftreden aankondigde, bracht me in een onmogelijke positie. Ik was aanvankelijk niet van plan om op te stappen, die vrijdag erna. Daar waren eenvoudig geen redenen voor. Zoals ik toen al zei: ik ben niet weggegaan omdat ik weg moest. Maar ik was het gezeur zat. En Wim Kok had wel iets beters te doen dan zich als een soort ziekenbroeder over mij te ontfermen.

“Ik had achteraf gemengde gevoelens, opluchting, verbazing, zelf-ironie maar ook trots: het was mìjn beslissing. Die maanden daarvoor waren toch erg beklemmend, rond de IRT-zaak. Het was een justitiële aangelegenheid waar ik noch als korpsbeheerder, laat staan als minister van binnenlandse zaken aanvankelijk erg veel mee te maken had. Dat houd ik staande. Maar als minister kwam ik maar niet van die korpsbeheerder af, die ik in mijn vorige functie was. Ik raakte verstrikt en kwam er niet mee uit voeten. Ik heb liever dat me dat ná 32 jaar overkomt dan daarvoor, trouwens.”

“Het heeft geen zin te filosoferen over de vraag wat ik zelf gedaan had aan deze kwestie, ware ik minister van binnenlandse zaken geworden. Ik zit niet in het paarse kabinet, ik wil de nieuwe ministers niet voor de voeten lopen en ik ben niet de aangewezen persoon om hier iets over te zeggen. Maar ik wil wel iets anders zeggen. Ik heb afgelopen dinsdag dat debat in de Kamer over het spreekverbod voor Nordholt op tv gadegeslagen. De Kamer was weer woedend. En ik kan me dat enerzijds wel voorstellen. Maar aan de andere kant moet de politiek zich wel realiseren dat de criminaliteitsbestrijding een eerste prioriteit is. Dat zéggen alle partijen ook en het staat ook in het regeerakkoord. En gelet op het recente rapport van het Sociaal en cultureel planbureau willen de mensen dat ook: veiligheid is nog steeds het belangrijkste thema voor de burger.

“De politiemensen, die het in de praktijk waar moeten maken, hebben recht op meer dan vertrouwen. Aan het echte politiewerk zit een gevoelige kant: een diender moet het gevoel hebben dat hij gesteund wordt. Enerzijds door de politiek en anderzijds door Justitie. Dat heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat men het gezag vertegenwoordigt - op straat. Het is geen kunst om in uniform in de actualiteitenrubriek NOVA te verschijnen - de kunst is om in de Damstraat in Amsterdam het gezag te handhaven. Ik wil het niet dramatiseren, maar een politieman moet weten dat hij het vertrouwen heeft. Daar zit niks tussen. Je kunt niet zeggen: we sturen een peloton ME met het grootst mogelijke wantrouwen op een ordeverstoring af.

“Waar ik grote zorgen over heb, is dat de politiek met iets te weinig gevoel voor wat een politieman beweegt met het onderwerp omspringt. Er worden alleen maar harde noten gekraakt en rekeningen vereffend. Dat is voor een minister niet erg. Dat is zijn vak, een politicus is er om het debat aan te gaan. Maar het kan natuurlijk niet zo zijn dat de politie van Nederland, inclusief die van Amsterdam, voordurend op het verdachtenbankje zit. En dat geldt ook voor hoofdcommissaris Nordholt.

“Er is een beeldvorming rond de relatie die ik als burgemeester van Amsterdam met Nordholt onderhield die heel ver van de werkelijkheid af staat. Dat is nog verergerd door de berichten over de extra toeslagen op het salaris van Nordholt. Het ene staat volstrekt los van het ander. Ik wilde hem toen graag hebben en dat was blijkbaar zijn marktwaarde. Maar in de beeldvorming rees zo langzamerhand de vraag: wie was nou de baas van wie? Alsof Nordholt volstrekt zijn eigen gang ging. Dat is een karikatuur die absoluut geen recht doet aan de werkelijkheid. Als burgemeester was ik drager van het bevoegd gezag. Het overleg met de korpsleiding was frequent en intensief. En niet met afstandelijkheid. Het gebeurde in een vertrouwensrelatie. En de hoofdcommissaris is daarbij een sleutelfiguur. Nou, zo iemand geef je de ruimte, krediet. Het was is niet zo dat ik elk interview dat hij gaf blindelings onderschreef. Maar ik heb Nordholt nooit kunnen betrappen op deloyale of gezagsondermijnende uitspraken.

“Ik ben heel enthousiast over het 'paarse' akkoord, maar na alle geroep in verkiezingstijd over het veiligheidspact van Bolkestein en tienduizend agenten extra, vind ik 1.500 agenten erbij aan de magere kant. En ik kan me dan heel goed voorstellen dat er politiecommissarissen zijn die de politiek nog eens aan haar beloften herinneren. Want daar ging het spreekverbod ook over dat Nordholt moest worden opgelegd. Procureur-generaal Van Randwijck, die daar om gevraagd had, is eenvoudig in zijn eigen zwaard gevallen. Hij moet nu zwijgen van minister Sorgdrager.

“Zelf vind ik overigens het schermen met spreekverboden belachelijk. De Amsterdamse hoofdofficier Vrakking heeft het mooi gezegd: als je geschoren wordt, moet je stilzitten. Dat scheren duurt toch geen half jaar? Dat moet elke dag opnieuw en met een muilkorf voor kan er helemaal niet geschoren worden. Dus vind ik het een paardemiddel. Af en toe moet er eens iemand tot de orde geroepen worden, maar om nou een structureel spreekverbod uit te vaardigen, nee.

“Ik denk dat er op het moment een verkramping plaatsheeft onder hoge politiemensen. Er is geen politiechef meer die op tv durft te komen en als het gebeurt, heeft hij zijn uniform uitgetrokken. Dat vind ik een stap terug. De politie moet herkenbaar zijn als vertegenwoordiger van de overheid in het kader van het bij elkaar houden van de uit elkaar vallende steden. Daar hoort bij zichtbaarheid, aanspreekbaarheid, herkenbaarheid en af en toe ook: een grote bek.”

“Zelf ben ik bekritiseerd over mijn aanval in Het Parool op Hirsch Ballin tijdens verkiezingstijd. Hij had twee weken voor de verkiezingen in Breda de morele suprematie van het CDA geclaimd met een uitspraak over mongooltjes. Ik heb dat standpunt 'fundamentalistisch' genoemd. Achteraf is mij gevraagd waarom ik die opmerking maakte. Het antwoord is heel simpel: omdat mij een vraag was gesteld. Het was een vrij scherpe opmerking. Ik was ook kwaad. Achteraf wil ik, alles afwegend, zeggen: ik had groot respect voor Hirsch Ballin en dat heb ik nog steeds. Hij is een van de zeer weinige politici die de politiek boven de verzakelijking probeert uit te tillen, dat probeer ik zelf ook. Juist daarom was ik zo kwaad dat hij waarden en normen monopoliseerde en suggereerde dat anderen die waarden zouden verslonzen. Mijn opmerking was niet gepland, maar ik vond ook niet dat ik er desgevraagd over kon zwijgen omdat het toevallig om een collega ging. Het waren de laatste dagen voor de verkiezingen. Ook Lubbers ging als een dolle te keer.

“Aanvankelijk konden Hirsch Ballin en ik het goed met elkaar vinden. Dat was afgelopen na dat incident. En het was absoluut niet makkelijk te repareren. Hij was gekwetst, maar ik wil zijn uitspraken achteraf ook niet bagatelliseren. Maar ik ben niet de enige die afkeurend reageerde. Vergeleken met de kritiek van het zogeheten ouwe-zakken-panel op tv, met mijn generatiegenoten Jan Terlouw, Hans Wiegel en Marcel van Dam, was ik een bleke Bet.

“Er is wel gezegd dat ik door een blokkade uit te spreken tegen Hirsch Ballin dezelfde fout maakte als in de jaren zeventig, toen we bezwaren aantekenden tegen Van Agt en Andriessen. Maar juist omdat ik die fout al eens gemaakt had wilde ik hem niet nog eens maken. De journalist vroeg: wordt samenwerking nu niet onmogelijk? Waarop ik heb gezegd: nou, heel moeilijk, daar moet ik zelf nog eens over nadenken. Daarmee had ik hooguit mezelf geblokkeerd, maar het werd anders uitgelegd. Ik heb geen persoonlijk veto uitgesproken, ik kijk wel uit. Ik ben iemand uit de jaren zeventig en daar schaam ik mij niet voor, maar ik maak niet dezelfde fouten.

“Ik heb trouwens meer de indruk dat anderen blokkades hebben opgeworpen, maar dan ná de verkiezingen. Als je naar het eindresultaat kijkt zou je bijna denken dat de VVD verhinderd heeft dat Pronk en ik gelijktijdig in het kabinet kwamen, als twee van die zeventiger-jare-types. Dat ís ook een beetje veel.”

“Op zich ben ik niet in blinde ambitie naar Den Haag vertrokken. Die ambitie is later pas ontstaan, dat is het rare. Toen ik aanvankelijk door Kok gevraagd werd de plaats in te nemen van Ien Dales, wist ik dat de risico's groot waren. Om te beginnen ging het niet goed met de Partij van de Arbeid. Ik voelde me toen als iemand die op een ijsschots richting zomer stapte. Dat bleek juist, maar de hitte kwam van een andere kant dan ik verwachtte.

“Mijn ambitie kwam dus pas in tweede instantie. In de eerste plaats door 'paars': het leek en lijkt me een mega-event. Werken in een nieuwe constellatie, met enige magie, aantrekkingskracht, met nieuwe mensen. Verder is in het regeerakkoord de rol van de minister van binnenlandse zaken buitengewoon interessant geworden op veel gebieden. En de derde reden om weer mee te willen doen is om die valse start goed te maken. Aan de andere kant: ik ben zestig. Ik heb 32 jaar meegedraaid. De kracht van die nieuwe ploeg is ook de nieuwigheid.

“Het is een kwestie van graag of niet. 32 jaar is een mooie periode. Ik ben teleurgesteld, maar ik ben absoluut niet verbitterd. Zelf heb ik veel kabinetsformaties meegemaakt dus ik weet hoe de hazen lopen. Kok is hier geweest op een woensdagavond toen hij rond was. En hij heeft me volledig geïnformeerd. Als mijn kandidatuur al aan de orde is geweest, is die in een eerder stadium afgekaart. Iemand moet dat geblokkeerd hebben. Ik denk dat ik gewoon in de eindafweging niet in het plaatje paste. Kan gebeuren.”