De tweeënvijftig romans van S. Vestdijk (2); Verslaafd aan Else's zoenen

Een gebergte in de Nederlandse literatuur is het oeuvre van S. Vestdijk wel genoemd. Van zijn tweeënvijftig romans horen er heel wat tot de pieken in dat gebergte. H.Br. Corstius en Maarten 't Hart herlezen er ieder zesentwintig en doen om beurten verslag van hun ervaring. Vandaag: Else Böhler, Duits Dienstmeisje (1935)

Else Böhler, Duits dienstmeisje, niet de tweede roman die Vestdijk schreef, wel de tweede die hij publiceerde, handelt evenals Terug tot Ina Damman over de liefde. Een rechtenstudent, Johan Roodenhuis, keert noodgedwongen terug naar het ouderlijk huis, ziet bij de buren van hun buren een Duits dienstmeisje, dat hem een knipoogje geeft, raakt mede daardoor verliefd op het meisje en vrijt met haar op pleinen en in parken. Zowel zijn moeder als de werkgeefsters van het meisje verzetten zich tegen deze liaison. Als gevolg daarvan wordt het meisje ontslagen en keert zij terug naar Duitsland. Johan Roodenhuis bespreekt zijn liefdesverdriet met een vriend Peter, die hem via voyeurstherapie van zijn ellende probeert te genezen. Dat lukt volstrekt niet.

Integendeel: Roodenhuis vertrekt ook naar Duitsland om Else te zoeken. Als hij haar bij toeval vindt, schiet hij een man dood die zich in haar gezelschap bevindt en die hij aanziet voor een rivaal. Daarop wordt hij zelf ter dood veroordeeld.

De roman valt uiteen in drie delen. In het eerste deel beschrijft Vestdijk in extenso de verhouding van Johan met Else. Verder dan met elkaar flaneren en zoenen komen zij niet. In het tweede deel vertelt hij over Peters falende voyeurstherapie. In het derde deel verhaalt hij over Johans pogingen om Else in Duitsland op te sporen, daarbij uiterst venijnige beschrijvingen gevend van de sfeer in Nazi-Duitsland. Deze roman van Vestdijk was dan ook zijn eerste werk dat, in september 1941, door de bezetter op de lijst van verboden boeken werd gezet.

Het is opvallend dat Else Böhler, Duits dienstmeisje in feite precies dezelfde structuur heeft als Terug tot Ina Damman. Daarin werd in deel één verhaald hoe Anton Wachter met Ina wandelde, in deel twee hoe hij vergeefs probeerde om over zijn liefde voor Ina heen te komen, in deel drie hoe hij terugkeerde tot Ina Damman. Ook Johan Roodenhuis keert terug tot Else Böhler. Ter Braak meende dat Else Böhler als een gevulgariseerde Ina Damman moest worden beschouwd, en zag in deze roman “een soort afrekening met Ina Damman, het jeugdidool, op een ander niveau”. Noch het één, noch het ander lijkt mij juist. Else Böhler is geen gevulgariseerde Ina Damman, zij is helemaal niet onverstandig en de twee brieven van haar hand die de roman bevat, zijn goed geschreven, en van heel behoorlijk intellectueel niveau. En afgerekend met haar wordt er al evenmin; er wordt afgerekend met de Duitse mentaliteit, met het opkomende nazisme, en er wordt bovenal afgerekend met de Nederlandse burgermansmoraal. Hoewel Vestdijk benepen kleinburgerlijkheid nog vele malen zou beschrijven, heeft hij het zelden zo venijnig, zo fel, zo bitter, en zo vernietigend beschreven als in het eerste deel van deze roman. Juist om met die kleinburgerlijkheid af te rekenen, laat Johan Roodenhuis zich in met Else Böhler. Pas daarna raakt hij verslaafd aan haar of liever vooral aan de wijze waarop zij zoent. In veel van wat over deze roman sinds zijn verschijning is geschreven proef je in de beschouwingen verbazing over het feit dat een rechtenstudent zich met zo'n klaarblijkelijk nogal vulgair meisje kan inlaten. Maar Vestdijk laat er geen misverstand over bestaan dat Johan zich vooral tot Else Böhler aangetrokken voelt omdat zij zo fantastisch zoent. Kon je als schrijver maar een paar echte meisjeszoenen meeleveren, in plaats van alleen de beschrijving ervan, dan zou de lezer al dadelijk veel beter begrijpen waarom er in sommige omstandigheden van zo'n stevige verslaving sprake kan zijn!

Bij herlezing van deze roman werd ik vooral getroffen door de meesterlijke wijze waarop Vestdijk in het eerste deel de haat-liefde van Roodenhuis voor Else beschrijft. Het tweede deel vind ik veel minder goed. Ofschoon de hierin beschreven voyeurstherapie reeds vooruit loopt op de roman De ziener, zijn de commentaren van vriend Peter op het liefdesverdriet van Roodenhuis nogal breedsprakig en gratuit. En dat Peter zich in het kader van de therapie vergrijpt aan de moeder van Roodenhuis vind ik zowel onwaarschijnlijk als smakeloos.

Bij het derde deel, dat in Duitsland speelt, hinderde het mij dat ik zoveel gelezen heb van andere schrijvers die in de dertiger jaren in Berlijn vertoefden. Het is helaas duidelijk dat Vestdijk, hoe inventief hij ook probeert om de sfeer in Duitsland te treffen, daar zelf nooit was geweest. Deze episode heeft iets ongeloofwaardigs, en het slot met de schietpartij is bepaald zwak. En hoogst ongeloofwaardig is ook dat Johan zijn verhaal, in afwachting van zijn executie, aldus (want toch vrij monter) zou hebben opgeschreven.

De roman heeft een sterk autobiografische achtergrond. Vestdijk heeft begin jaren dertig weer enige tijd bij zijn ouders in de vruchtenbuurt in Den Haag gewoond. Daar heeft hij een Duits kindermeisje, Maria Schrader, leren kennen, waarmee hij een verhouding begon. Mede als gevolg van de verhouding is het meisje ontslagen. Het eerste, en beste deel van de roman is dus geheel autobiografisch. In de Vestdijk-kroniek van maart 1986, geheel gewijd aan deze roman, vinden we twee foto's van Maria Schrader. Wie deze foto ziet van de bepaald heel aantrekkelijke Maria begrijpt maar al te goed waarom deze jongedame Vestdijk fascineerde.

Volgende week: Meneer Visser's hellevaart