De paradox van winstherstel en tegenvallend loonstrookje

Wie zijn oor te luisteren legt op de effectenbeurs hoort de champagnekurken knallen, maar wie op loonstroken tuurt denkt dat Nederland in een crisis verkeert. Massaal zijn de winstverwachtingen van grote bedrijven in Nederland naar boven bijgesteld. Terwijl hun winsten stijgen, brengen de beursondernemingen de personeelskosten omlaag.

Een klassiek conflict tussen arbeid en kapitaal lijkt op de loer te liggen: hoeveel winst moeten bedrijven maken voordat er hogere lonen en meer banen komen? De werkelijkheid is na Marx ingewikkelder dan alleen een belangenconflict tussen arbeid en kapitaal. De tamelijk eenzijdige structuur van de Nederlandse economie, met weinig unieke produkten, maakt dat succes in belangrijke mate mate afhankelijk is geworden van loonmatiging.

De halfjaarcijfers van de ondernemingen op de beurs laten een spectaculair herstel zien. Het crisisgevoel is geweken. Dat gevoel was overigens wel degelijk terecht: uit CBS-cijfers van gisteren blijkt dat de rentabiliteit van de 3500 grotere ondernemingen in Nederland de afgelopen tien jaar nog niet op zo'n laag niveau heeft gelegen.

Maar analisten maakten begin dit jaar al gewag van fors herstel. Eind januari stegen de koersen al tot recordhoogte. Menigeen hief de waarschuwende vinger: na de halfjaarcijfers zou een crash komen. De koersen liepen weer terug, maar de halfjaarcijfers vielen niet tegen. De winsten vielen nog hoger uit dan de al sterk opgeschroefde prognoses.

Macro-economisch tekent zich, zij het bescheidener, herstel af: een economische groei over het eerste halfjaar van twee procent. En bovendien, de consumenten geloven er weer in: 2,2 procent groei in hun bestedingen.

Maar het winstherstel is niet terug te vinden op de loonstrook. Het Centraal Planbureau dat de plannen van het kabinet doorrekende, voorspelt de komende vier jaren in het gunstigste geval koopkrachtbehoud (voor modaal) en in het ongunstigste geval een koopkrachtverlies van 8 procent (bejaarden met 30 mille pensioen).

De ontwikkelingen op de beurs zijn nu bijna omgekeerd gekoppeld aan de Nederlandse inkomensontwikkeling. De beursfondsen danken de gestegen winsten vooral aan de toegenomen buitenlandse handel, die weer kon ontstaan door matiging in Nederland. Bovendien wordt het beeld opgefleurd doordat drie grote verliezers van vorig jaar - Hoogovens, KNP BT en Nedlloyd - mede dank zij herstructureringen in de zwarte cijfers kwamen. Vorig jaar deden voor Hoogovens nog faillissementsscenario's de ronde, vorig jaar schrokken de aandeelhouders nog van de cijfers van het uit nood ontstane papierconcern KNP BT en de parel van een decennium geleden, Nedlloyd, leek alle glans te hebben verloren. Nu zijn ze terug.

De beurs zou de beurs niet zijn wanneer er ook niet een paar tegenvallers waren: Fokker, Bols Wessanen en Cap Volmac. Fokker is een bedrijf dat uitsluitend nog leeft bij de gratie van de Duitse moeder Dasa en de vindingrijkheid van de Rabobank, die met een ingenieuze technolease Fokker aan middelen en zichzelf aan belastingvoordelen heeft geholpen. Bij Bols Wessanen wreekt zich dat de fusie van vorig jaar meer was ingegeven door nationalistische dan door bedrijfsmatige motieven: Bols valt in de drankensector tussen servet en tafellaken, daar voegt een fusie van Wessanen tot nu toe weinig aan toe. Bij Cap Volmac vormt de tegenvaller de zoveelste in rij: het destijds zo fraai presterende bedrijf slaagt er al jaren niet in om zich aan te passen aan de markt.

Tegenover de paar tegenvallers staan series meevallers. Het Parijse onderzoeksbureau 'Associés en Finance' verzamelt alle voorspellingen van de zeven belangrijkste bureaus voor aandelen-analyse in Nederland. De analisten blijken steeds hogere winstprognoses voor volgend jaar af te geven, daarmee geven ze aan dat het winstherstel zich zal voortzetten. Bij Nederlandse bedrijven tenminste, andere Europese landen blijven achter. De top 5 van bedrijven waarin de afgelopen maanden de verwachtingen naar boven werden bijgesteld waren DSM, Hoogovens, Norit, Akzo Nobel en KLM.

Alleen voor de farmaceutische industrie zijn de prognoses lager geworden. De wereldwijde bezuiniging op de medische zorg doet de perspectieven afnemen. Alleen de farma-divisie van Akzo Nobel die 'de pil' produceert treft de malaise niet.

Het meest opvallende herstel van de Nederlandse bedrijven is afkomstig van de zogenoemde cyclische fondsen, de bedrijven die meedansen op de conjunctuurgolven. Zowel bij Akzo Nobel als bij DSM gaven de bestuurders aan zelf overvallen te zijn door de hoogte van die golven. Koninklijke Olie profiteerde ook van die chemie, maar daar stonden lagere olieprijzen tegenover. De resultaten die de bekende mix van Shell opleverde, stemden beleggers overigens tot enthousiasme door de balansverbetering.

Philips wordt weer geheel op handen van beleggers gedragen. De beleggers zagen weliswaar het netto resultaat bijna halveren, maar dat kwam alleen omdat vorig jaar tafelzilver in de vorm van de Japanse joint venture met Matsushita voor ruim 1,1 miljard gulden was verkocht.

De winstcijfers van Philips zijn slechts een vage afspiegeling van de werkelijke positieverbetering. Natuurlijk, Philips spint garen bij de aantrekkende consumentenmarkt en de markt voor halfgeleiders, maar wat de Brit Eustace op zijn financiële afdeling heeft bereikt, grenst aan het ongelooflijke. De Brit saneerde vorig jaar 5 miljard gulden aan schulden weg, waardoor Philips nu jaarlijks zo'n 400 miljoen gulden 'bespaart' zonder er iets voor te hoeven doen.

De blauwe zwaan KLM leek zich even te ontpoppen als een lelijk eendje. Na een zwaar verliesgevend 92/93 (gebroken boekjaar) werd over 93/94 291 miljoen gulden bespaard op pensioenafdrachten van het personeel. Zonder dat extraatje zou KLM vorig jaar opnieuw verlies hebben geleden. De pensioenbeheerders vinden dat het fonds inmiddels voldoende is uitgekleed, maar de KLM-directie wil ook een lopende jaar een pension-holiday. KLM liet over het eerste kwartaal een goed winstherstel zien, maar mede dankzij het schrappen van 2000 banen.

De analisten hadden vorig jaar al voorspeld dat de 'havenfondsen' uit het dal zouden klimmen. Pakhoed en Van Ommeren zaten in de upswing. Ook Nedlloyd had heel wat peptalk in het rond gestrooid over op handen zijnde verbeteringen, maar het eerste half jaar onder Berndsen was nog niet om naar huis te schrijven: zijn eerste presentatie van de halfjaarcijfers kwam Nedlloyd op een straf te staan: de beurskoers daalde.

Nieuwkomer KPN hield zich uiteraard goed aan zijn beloften. Ook de uitgevers Reed Elsevier en Wolters Kluwer presteerden volgens bekend concept: span de verwachtingen voor de winstgroei hoog en zorg vervolgens dat de winstgroei nog iets hoger is. Jarenlang was in dit gezelschap VNU het stiefkindje, maar inmiddels heeft de Haarlemse uitgever een enorme koersrally ingezet. Ook de 'provincie' roert zich: de koning van de regionale bladen, Wegener, realiseerde groeicijfers per aandeel die zelfs fractioneel hoger lagen dan die van de grote twee, Elsevier en Wolters.

Unilevers groeicijfers (bedrijfsresultaat plus 6 procent) waren wat lager dan gemiddeld (circa 18 procent voor de grote bedrijven exclusief Philips en Shell), maar ook deze konden rekenen op een redelijk onthaal. Unilever staat bekend om zijn stabiele winststijging en dat betekent automatisch ook minder positieve uitslagen. Unilever kon echter beleggers duidelijk maken dat het de overhead beter onder controle heeft dan de grote rivalen Nestlé en BSN.

In de financiële sector draait het ook voor een deel ook om het terugdringen van de overheadkosten. ABN Amro, Aegon, ING en Fortis lieten allemaal dubbele groeicijfers zien voor bedrijfsresultaat en winst, terwijl vooral in Nederland de personeelsaantallen terugliepen.

De banken en verzekeraars maakten duidelijk dat met het schrappen van arbeidsplaatsen geld valt te verdienen. Die trend is ook in de handel en industrie zichtbaar. De grote bedrijven (exclusief de Koninklijke en Philips) gaven in het afgelopen halfjaar 100 miljoen gulden minder uit aan lonen, salarissen en sociale lasten dan in het eerste halfjaar 1993, ondanks het feit dat er aanzienlijk meer werd omgezet: 122 miljard tegen 116 miljard gulden.

Die loonkosten spelen niet alleen bij het paarse kabinet maar ook bij de werkgevers een belangrijke rol. Uit een enquête van het NCW in maart blijkt dat 40 procent van de ondernemers activiteiten naar het buitenland wil verplaatsen, omdat de loonkosten hier te hoog zouden zijn. Dat lijkt haaks te staan op de uitkomsten van The World Competitiveness Report dat het World Economic Forum deze week presenteerde, waarin Nederland in de top figureert. Maar in deze uitkomst spelen ook heel andere factoren dan loonkosten een rol.

Nederland concurreert vooral met verre van unieke bulkgoederen op de wereldmarkt. Een bedrijf als Gist Brocades is daarvan een voorbeeld. Het produceert onder meer antibiotica waar in de hele wereld één prijs in dollars geldt. Wanneer één fabrikant met succes in een lage-lonenland als India de kosten per eenheid produkt naar beneden weet te brengen, dienen de anderen te volgen, graag of niet.

In een analyse van de Nederlandse bedrijven schetst ABN Amro-bestuurder drs. Th.A.J. Meys twee typen markten: één die zo sterk in ontwikkeling is dat met autonome groei een sterke winststijging is te boeken en één waar winstgroei vooral door acquisities en strategische concepten te bereiken is. Alle Nederlandse parels die die topposities bekleden (Shell, Philips, Unilever, Akzo Nobel en Heineken) zitten in die tweede categorie.

Daarnaast heeft Nederland in de laatste categorie ook nog veel bedrijven die geen topposities bekleden, maar wel op de wereldmarkt actief zijn. Het enorme herstel dat zich in het afgelopen half jaar voorgedaan heeft, dankten deze bedrijven - bij voorbeeld DSM en Nutricia - aan het kostenvoordeel, behaald door forse saneringen. Het herstel van dit soort bedrijven is natuurlijk kwetsbaar voor elke vorm van kostenstijging.

Wat Meys mist zijn veel Nederlandse bedrijven die in de echte groeimarkten zitten. Hij noemt Van der Ende's amusementsindustrie Endemol, KPN en ingenieursbureau Heidemij. Ook ziet hij kansen voor Reed Elsevier en Polygram die volgens hem misschien kunnen doorgroeien naar het segment toppositie in groeimarkt.

Bedrijven in groeimarkten zullen veel minder gevoelig zijn voor fluctuaties in de loonkosten. Sommige economen leggen dan ook de nadruk op het verbeteren van de structuur van de Nederlandse economie, waardoor er meer 'groeibedrijven' komen die voor hun resultaat minder afhankelijk zijn van loonmatiging. Prof. dr. E. Bomhoff heeft in NRC Handelsblad geageerd tegen voortdurende loonmatiging: “Het land met de meeste loonmatiging ging tegelijkertijd het hardst achteruit in de welvaart.” Meys zegt in zijn met prof. dr. A. van der Zwan geschreven brochure 'Ondernemend Nederland in perspectief': “Toekomst voor het behoud van hoogwaardige werkgelegenheid ligt niet bij kostenleiderschap maar bij kwaliteitsleiderschap.”

Meys en Bomhoff onderstrepen met hun betoog dat loonmatiging de zo noodzakelijke economische structuurverbetering afremt. Dat beeld verdient nuance. Ook typisch traditionele bedrijfstakken als staal en chemie proberen razendsnel met specialistische produkten hun positie te verbijzonderen.

Aan de andere kant is gebleken dat sommige sectoren die in het verleden het etiket 'groeisector' kregen opgeplakt, in de praktijk die verwachtingen niet waarmaakten. Automatisering is daarvan een sterk voorbeeld, met in het afgelopen halfjaar nog weer eens een bevestiging van Cap Volmac, maar ook biotechnologie verdient volgens één van de belangrijkere Nederlandse bedrijven in die sector, Gist Brocades, kritische beschouwing. Veel onderzoek in de biotechnologie heeft onvoldoende rendement opgeleverd.

De Nederlandse economische structuur geeft aan dat veel geteerd wordt op oude roem. De grote bedrijven dateren allemaal van voor de oorlog. Het winstherstel in het eerste halfjaar was vooral te zien bij de traditionele sectoren. De na-oorlogse generatie heeft in Nederland eigenlijk slechts één nieuwe multinational opgebouwd en dat is Frits Goldschmeding met uitzendconcern Randstad. Maar dit bedrijf meldt dan ook, behalve een winststijging in het eerste halfjaar met 32 procent, tegelijk dat het de vacatures nauwelijks kan vervullen. Randstad begint dit weekend een campagne om 400 mensen aan te trekken, die uitzendkrachten moeten selecteren. Bij een nooit vertoond herstel, zoals DSM en Akzo Nobel het noemen, hoort volgens Goldschmeding een bij zijn bedrijf nooit vertoonde aanwas van personeel.