Das kommt nie wieder

Aan de uiterste grens van het geheugen, waar de nevels nog doorzichtig zijn maar verderop datgene afschermen wat óók geweest is, je vroegste jeugd, liggen scherp de teksten van de liedjes die je moeder voor je zong. Ze horen tot de eerste bakens van je bestaan. Misschien is het intussen met de kinderprogramma's op de televisie veranderd - al schrijvend betrap ik me erop dat ik de intro van de Fabeltjeskrant neurie - maar dit eerste repertoire blijft natuurlijk niet beperkt tot kinderliedjes. Tot mijn liederenvoorraad horen ook songs: Heaven, this is heaven, en Schlagers: Das kommt nur einmal, das kommt nie wieder, das ist zu schön um wahr zu sein. Het kwam allemaal uit het gat van de koffergrammofoon die ook een bijzondere geur verspreidde. Bijelkaar een aroma voor oor en neus waarin alles was geconcentreerd wat we vooroorlogs noemen.

Nu zijn deze week de laatste geallieerde troepen uit Berlijn vertrokken. Vrijwel groggy van het herdenken (en er moet nog veel meer komen) zou je bijna vergeten dat dit vertrek eigenlijk een herstel is. Berlijn zonder vreemde troepen is niet de allerlaatste bevestiging dat de Koude Oorlog voorbij is, maar de definitieve terugkeer van Duitsland als groot land met binnenkort een grote hoofdstad, zonder nazi's. Als Hitler zich bijtijds had overgegeven of Stauffenberg en de zijnen hadden succes gehad, dan was Berlijn nu weer in grote trekken de stad geweest die daar voor 1933 heeft gestaan; een miljoenenstad zoals Londen en Parijs.

Een paar weken geleden was ik op bezoek bij Arthur Lehning. Hij heeft in de jaren twintig in Berlijn gewoond, een periode waarvan het zeventig jaar later lijkt alsof je daar toen door de geniën onder de voet werd gelopen. Het wemelde er. Vrijwel iedereen van wie later is gebleken dat hij heeft meegeholpen het stempel op de kunst en de architectuur van de eeuw te zetten, heeft toen in Berlijn gewoond of moest er geregeld zijn.

“Hoe was het toen in Berlijn?” vroeg ik Arthur Lehning voor de zoveelste keer.

“Onbeschrijfelijk”, zei hij. “Berlijn in die tijd hoort tot het deel van je herinneringen die niet beschreven kunnen worden.” Daarna begon hij te vertellen op de manier die is voorbehouden aan degenen die er zelf bij zijn geweest. Daarbij horen mimiek, intonatie, kleine pauzes, nog veel meer dat niet onder geschreven woorden kan worden gebracht, tenzij je misschien een hele pagina tot je beschikking hebt, en dan nog zal het een waagstuk zijn. In ieder geval, zo herleefde Berlijn van zeventig jaar geleden in de woorden van Arthur Lehning.

Terwijl hij vertelt komt me een foto voor de geest: Stresemann spreekt. Het is een plein, schuin van boven genomen, op een balconnetje staat de redenaar en verder is er niets dan menigte: een zee van paraplu's. Niet dat Lehning en Stresemann iets gemeen hebben, maar op een of andere manier spreekt uit die foto even intens dezelfde tijd.

Na 1933 is de Duitse popcultuur, zouden we nu zeggen, nog een poosje doorgesukkeld, veel artiesten voelden het dillema van burgemeester in oorlogstijd, Ernst von Salomon, de grote schrijver, dook onder bij de UFA en halverwege de oorlog is de laatste Schlager geschreven: Lili Marlene, iedere avond gedraaid door de Soldatensender Beograd. Als we de overleveringen geloven werd het dan altijd even stil aan de fronten. Na Lili Marlene was het met de Duitse invloed op de westerse beschaving gedaan.

Nu, deze week, is Berlijn voor het eerst na eenenzestig jaar weer zonder soldaten. Ik ben benieuwd wat er gaat gebeuren. Daar ligt de verminkte metropool, in het Oosten de excommunistische vlakte met de honderden miljoenen die nog bezig zijn, uit de versuffing van een halve eeuw weer zelf de weg te vinden, en in het Westen de beschavingen die ook niet weten waar ze aan toe zijn en nog het liefst met een zak patat, de radio op z'n hardst, achter het stuur van een Mercedes zitten.

Zou er een tijd komen dat we weer naar Berlijn moeten om van het laatste nieuwste beste op de hoogte te raken? De tijd dat we daarvoor naar Parijs gingen is allang voorbij. In Londen heb ik persoonlijk nooit veel gezien maar dat wil ik graag als een vooroordeel beschouwen. New York: ja. Als je daar loopt heb je nog altijd het gevoel dat de energie er uit de grond komt, en die zeven uur vliegen in de baarmoederhouding heb ik er graag voor over. Berlijn is maar zes uur met de trein. Er is vrede, er zijn geen soldaten meer, in alle windstreken wordt er naar iets gesnakt waarvan je op het eerste gezicht, gehoor, gevoel weet dat het een opluchting zal zijn - al was het maar een Schlager.

Het herdenken waaraan we nu de handen vol hebben, lijkt me over het algemeen goed en noodzakelijk en laten we hopen dat het leerzaam is. Maar aan die reeks van markante jaartallen gaat een periode vooraf, de enige die me op de gedachte brengt dat ik te laat geboren ben. Europa kan wel weer eens een stad met geniën gebruiken.