Cri du monument

VIERJARIGE SUBSIDIËRING van kunstinstellingen vindt staatssecretaris Aad Nuis een te starre regeling. Dit systeem ontneemt hem de mogelijkheid om slagvaardig op onverwachte gebeurtenissen in de cultuur te kunnen reageren. Indirect illustreerde hij zijn verlangen naar kortere termijn-subsidies met zijn antwoord op de vraag hoe de Nederlandse cultuur er over vier jaar zou uitzien. Hij zei: “Ik hoop dat we in die vier jaar niet worden opgeschrikt door het instorten van een kerktoren uit 1200, of van belangrijke gebouwen uit het begin van deze eeuw.” Het regeerakkoord voorziet namelijk in extra aandacht voor de monumentenzorg en het instorten van een kerktoren uit 1200 zou weleens zo'n onverwachte gebeurtenis kunnen zijn waarop Nuis slagvaardig wil kunnen, nee, volgens het regeerakkoord zal móeten reageren.

Het voorbeeld van de staatssecretaris is allerminst denkbeeldig. Veertig procent van de 43.000 rijksmonumenten moet in restauratieve zin nog hoognodig onder handen worden genomen en daartoe behoren wereldberoemde bouwwerken als het stadhuis van Gouda en het Haagse Gemeentemuseum, maar ook talloze plattelandskerken - stuk voor stuk in dramatische conditie - die zo beeldbepalend zijn voor het Nederlandse landschap. Bovendien behoeven de kwetsbare, historische kernen van grote en middelgrote steden en stadjes, van Zutphen tot Delft, van Hoorn tot Maastricht, naast incidentele restauraties, een permamente vorm van ondernemend beheer en onderhoud, een activiteit die Monumentenzorg zich ook terecht tot haar taken rekent.

ZOALS VUILNIS vuilnis aantrekt en welstand welstand, werkt cultuur aanstekelijk op cultuur en vormt Monumentenzorg een effectief wapen tegen de verloedering en snelle slijtage van de historische binnensteden. Hoogwaardige verzorging van het gebouwde erfgoed heeft onbetwistbaar een culturele, sociale en economische uitstraling en zal het omgevings- en vestigingssklimaat ten goede komen. Toch blijken deze vitale belangen in de ogen van de overheid kennelijk onvoldoende; sinds het Monumentenjaar 1975 is de rijksbijdrage aan de monumentenzorg in Nederland alleen maar dramatisch achteruit gegaan.

De investeringen in de restauratie van rijksmonumenten bedroeg in 1976 ongeveer 1,2 miljard gulden en in 1990 was het totaal aan bijdragen - van WVC, VROM, provincies, gemeenten, fiscus en particulieren, de laatsten staan overigens borg voor zestig procent - teruggevallen naar 300 miljoen gulden. De afgelopen tien jaar heeft de rijksoverheid het structurele restauratiebudget van 180 miljoen gulden in 1980 laten dalen tot 95 miljoen gulden per jaar in 1994.

De neerwaartse spiraal van de restauratiesubsidies, de 'afbouw' in de komende jaren van stadsvernieuwing en volkshuisvesting - van de twee bijbehorende geldstromen kon Monumentenzorg nog weleens dankbaar een graantje meepikken - hebben twee jaar geleden de gemeenten de noodklokken doen luiden. De kritische fase was aangebroken, door de aanzienlijke financieringsproblemen kon het restauratiewerk niet meer naar behoren worden uitgevoerd en de noodzakelijke continuïteit in onderhoud en beheer raakte steeds verder in de knel. In de afgelopen twee jaar is de situatie alleen maar erger geworden. Nu moeten restauraties steeds vaker worden uitgesteld, waardoor er 'stuwmeren' van aanvragen bij de gemeenten ontstaan. Bovendien zal de aanwas van beschermde jonge monumenten, voortkomend uit het Monumenten Inventarisatie Projekt, de machteloze situatie in de toekomst alleen maar vergroten.

BELAND IN DE put waar een deel van onze kostbare, cultuurhistorische omgeving aan verkommering ten prooi dreigt te vallen, houdt de vaderlandse monumentenwereld zich vast aan het 'Strategisch Plan voor de Monumentenzorg' dat de voormalige minister van WVC Hedy d' Ancona nog net voor de verkiezingen het licht heeft doen zien. Voor de komende tien jaar is 1,4 miljard gulden extra nodig om de meest nijpende nood in de monumentenzorg te lenigen. Met 140 miljoen gulden per jaar, bovenop de structurele restauratiesubsidie die, als er niet wordt ingegrepen, in 1997 zal zijn geslonken tot 87 miljoen gulden, kan tenminste met het leegpompen van het stuwmeer worden begonnen en kunnen andere ambities van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg ten uitvoer worden gebracht. Zoals een meer planologische strategie bij restauratie en onderhoud en de ontwikkeling van een effectief beleid voor de instandhouding van jongere bouwkunst.

Met een beetje inventiviteit hoeven de kosten van het Strategisch Plan niet ten laste te komen van de toch al zo zwaar aangeslagen post Cultuur. De Nationale Investeringsbank heeft uitgerekend dat het restaureren van monumenten de overheid geld oplevert en dat het bedrag van 1,4 miljard gulden zichzelf ruimschoots 'terugverdient', zoals dat heet. Bovendien levert de monumenteninvestering ten minste 2.400 arbeidsplaatsen op, hetgeen een regering moet aanspreken die 'werk, werk en nog eens werk' in haar vaandel heeft.

VANDAAG WORDT de jaarlijkse Open Monumentendag gevierd. Ons culturele erfgoed zal weer een massaal publiek trekken. Vorig jaar bezochten driekwart miljoen mensen de voor de gelegenheid opengestelde historische bedrijfsgebouwen, kastelen, kerken, molens en woonhuizen.

Vandaag ook presenteert zich de vorige maand officieel opgerichte Vereniging Open Monumenten die zich naar het succesvolle Britse voorbeeld van de National Trust met velerlei middelen, zoals een landelijke keten 'Erfgoedwinkels', gaat inzetten voor het behoud en de restauratie van Nederlandse monumenten in de ruimste zin van het woord, dus niet alleen kerken, boerderijen en kastelen, maar ook monumenten van industriële archeologie en samenhangende stads- en dorpsgezichten. De verwachting is dat deze vereniging binnen vijf jaar 350.000 leden zal tellen. Gezien de belangstelling voor de Open Monumentendagen zou een dergelijk aantal best eens in het verschiet kunnen liggen. Alleen al met het oog op deze massale 'achterban' is het kabinet-Kok verplicht om straks bij de begrotingsbehandeling het Strategisch Plan ongegeneerd te omhelzen. Bovendien zal het met dit gebaar te kennen geven dat Monumentenzorg veel verder gaat dan het oplappen van een kerktoren uit 1200 die onvoorzien is ingestort.